|
|
Het overlijden van een ouder is erg ingrijpend. Kinderen verliezen meer dan degene die overleden is. De sfeer in het gezin verandert, allerlei vertrouwdheden vallen weg. Soms is er een tijdlang weinig aandacht. Het vanzelfsprekend opgroeien komt sterk onder druk te staan. De gevolgen op lange termijn kunnen groot zijn.
Kinderen ervaren, net als volwassenen, verschillende gevoelens, die soms tegenstrijdig zijn (Spuij en Boelen 2008; Di Ciacco 2008). Zo kan een kind opgelucht zijn omdat papa of mama geen pijn meer heeft of zelfs blij zijn om te merken dat het leven doorgaat. Maar het kind kan ook verschrikkelijk boos worden. Ook is er angst, vooral na een plotselinge dood, dat ook de andere ouder dood gaat. Bij jonge kinderen is er soms schuldgevoel doordat ze denken dat de dood veroorzaakt is doordat ze kwaad waren op hun ouders of iets stouts gedaan hebben.
Jonge kinderen kunnen een bepaalde emotie niet lang volhouden en tonen deze vaak niet direct door te huilen, maar via een omweg. Ze kunnen agressief worden, baldadig, onhandig of juist heel behulpzaam of willen vaker op schoot zitten. Soms gaan schoolprestaties achteruit en gaan kinderen weer in bed plassen. Hun gevoelsuitingen zijn vaak zeer heftig en dat roept bij het kind zelf angst op.
Adolescenten zijn bezig met hun identiteitsontwikkeling en moeten zich losmaken van het gezin. Ze zijn zelfstandigheid aan het verwerven en stellen zich steeds onafhankelijker op. Ze richten zich vooral op leeftijdgenoten. Ze willen niet afwijken en proberen zoveel mogelijk normaal te doen. Ze doen er veel moeite voor om aan de buitenkant niks te laten merken (Fiddelaers-Jaspers 2007; Noten 2009). Volgens Monique van 't Erve, die zelf haar moeder door zelfdoding verloor, zijn jongeren onder meer vanwege schaamte en stigmatisering, weinig ontvankelijk voor steun en hulp (Van 't Erve 2010). Als adolescenten hun verdriet blijven ontkennen kan het de verliesverwerking blokkeren en kunnen gedrags- en emotionele problemen onstaan. De Amerikaanse psychologe Schultz (2007) laat zien dat jonge vrouwen, van wie de moeder in de adolescentie was gestorven, problemen hadden bij hun identiteitsontwikkeling. Nieuwe relaties met anderen waren noodzakelijk om het verlies te integreren.
Veel voorkomende uitingen van rouw bij het verlies van een ouder op jonge leeftijd zijn schok, verwarring en ongeloof, verdriet, somberheid, wanhoop, verlangen naar de overleden persoon, concentratieproblemen, slaap en eetproblemen, en woede (Dowdney 2008). Een kind of adolescent heeft meestal nog geen ervaring met het overlijden van een naaste. Ze hebben nog geen kennis van een rouwproces, zoals volwassenen. Ze hebben daardoor niet de ervaring dat het op den duur weer beter zal gaan. Dat de overgebleven ouder ooit weer zal lachen en er weer wat geluk komt thuis. Het is belangrijk dat er vertrouwde anderen zijn die meeleven en ondersteuning bieden bij het rouwproces. De veerkracht bij de meeste kinderen en jongeren is gelukkig groot en de rouwsymptomen zijn vaak tijdelijk (Bonanno 2007; Spuij en Boelen 2008). Sommige kinderen reageren volgens de Engelse kinderpsycholoog Dowdney (2008) op den duur zelfs positief: ze worden onafhankelijker, hebben meer inlevingsvermogen en vertonen persoonlijke en/of spirituele groei.
Als na zes maanden na het overlijden het verdriet niet minder wordt, kan er sprake zijn van stagnatie van rouw en is er kans dat er zich ernstige emotionele en psychosociale problemen ontwikkelen. Volgens de hulpverleners Mariken Spuij en Paul Boelen (2009, 2008) van de Universiteit Utrecht voorspelt de aanwezigheid van de volgende symptomen zes maanden na het verlies problemen op lange termijn:
Als rouw stagneert, kan gecompliceerde rouw ontstaan. Bij de jongeren nemen symptomen van gecompliceerde rouw pas af na twaalf tot achttien maanden, wat later is dan bij volwassenen (Melhem e.a. 2007). Gecompliceerde rouw is hetzelfde als problematische rouw. Lees meer over problematische rouw.
Mark Kinit (2009), een Vlaamse psycholoog, wijst op het gevaar van 'parentificatie'. Het kind wordt verantwoordelijk voor het welbevinden van de ouders. Het kind neemt bepaalde zorgen op zich en komt niet aan rouwen toe. Parentificatie is een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van allerlei psychopathologie.
Een klein aantal kinderen en jongeren die op jonge leeftijd een ouder hebben verloren, heeft psychiatrische stoornissen op volwassen leeftijd. Dit betreft dan meestal depressie. Angststoornissen komen weinig voor. Wel is er vaak toegenomen (specifieke) angst met betrekking tot volgend verlies, de veiligheid van familieleden en scheidingsangst. Ook zijn er veel aanwijzingen voor uiteenlopende fysieke gezondheidsklachten in de volwassenheid, waarschijnlijk door het ontwikkelen van slecht gezondheidsgedrag (roken, overmatige alcoholconsumptie en weinig bewegen), door neurobiologische veranderingen en verhoogde stress (Luecken 2008; Tyrka e.a. 2008; Stroebe e.a. 2008).
Veel onderzoek wijst uit dat de kwaliteit van de relatie (hechting) van enorm belang is. Zowel een goede hechting met de overleden ouder, als de hechting met de overgebleven ouder en/of een alternatieve hechtingspersoon werken beschermend, op de korte termijn, maar ook om blijvende problemen te voorkomen (onder meer Luecken e.a. 2008; Tyrka e.a. 2008).