|
|
Volgens verschillende onderzoekers is het rouwproces na het overlijden van een kind intenser en duurt het langer dan het rouwproces bij het overlijden van andere dierbaren (onder meer Brown 2009 ). De Canadese onderzoekster Jennifer Buckle (2004) heeft een groot aantal ouders geïnterviewd drie jaar na het overlijden van hun kind. Ook heeft ze uitgebreid literatuuronderzoek gedaan naar de gevolgen van het overlijden van een kind. Ze schetst de gevolgen voor ouders.
Ouders verliezen bij het overlijden van een kind een deel van hun identiteit, omdat het beschermen en opvoeden van het kind een centraal deel is van hun identiteit. Ouders hebben daarnaast veel uiteenlopende gevoelens: totale onmacht, verlies aan zelfwaarde, leegte en onveiligheid. Sommige ouders, constateert Buckle, voelen zich schuldig, zoals over de hoeveelheid tijd die ze met hun kind hebben doorgebracht of over straf die ze hadden gegeven ('Had ik maar…').
Ouders verliezen met hun kind een deel van hun toekomst. Ze zien hun kind immers niet meer opgroeien. Alle verwachtingen en dromen die ze over hun kind hadden, zijn verloren gegaan. Ouders verwachten vaak dat ze zelf na hun dood zullen voortleven in hun kind, en het is een grote schok als dat niet gebeurt. Ze ervaren een groot gat omdat ze alle hoop en verwachtingen moeten laten vallen. Zelfs als er andere kinderen zijn, is er vaak een gevoel van incompleet zijn. Het gezin zoals zij dat kenden, bestaat niet meer. Het overleden kind was immers onlosmakelijk verbonden met hun gezin. Het gezin moet verder, maar is voor altijd veranderd.
Veel ouders hebben het gevoel dat hun leven op de kop is gezet. Allerlei gevoelens en denkbeelden over het leven vallen weg: de zin van het leven, gevoel voor rechtvaardigheid, gevoel van orde en controle, en geloof in eigenwaarde. Het leven is niet langer veilig. Veel ouders zijn bang om nog een kind te verliezen. Het vertrouwen in het leven is weg, en het geloof dat er antwoorden zijn op zijnsvragen. Het verlies van hun kind is immers onbegrijpelijk. Bij ouders die een kinderwens hebben, is er een grote angst dat het weer mis zal gaan. De idee dat ouders vervanging van hun overleden kind willen, klopt overigens niet. Ouders willen vaak juist een kind dat verschilt.
Ouders die zich gesteund voelen, zijn op een zeker moment in staat om hun leven weer enigszins op te pakken. Herinneringen aan hun kind helpen hen daarbij (Lister 2006). Sommige ouders zijn meer gericht op 'overleven' dan andere ouders (Wijngaards e.a. 2008). Deze ouders zijn beter in staat om het verlies een plek te geven. Een dergelijke houding beschermt tevens tegen blijvende depressie. Ook de mate van hechting met de eigen ouders heeft invloed op het verwerkingsproces. Hoe hoger de mate van onveilige gehechtheid in de jeugd, hoe meer symptomen van rouw en depressie voorkomen (Wijngaards-de Meij e.a. 2007). Lees meer over de invloed van hechting op het rouwproces in het dossier Overlijden ouder.
Buckle (2004) wijst erop dat het omgaan met verlies van een kind anders is dan bij andere vormen van verlies. Vaak wordt geadviseerd om de energie niet te veel op de overledene te richten. Bij het overlijden van een kind is het volgens Buckle (2004) juist goed dat ouders en andere gezinsleden zich richten op het voortbestaan van een symbolische band. Ook is het meer dan bij andere vormen van rouwen nodig om oog te hebben voor de sterke gevolgen voor de persoonlijke identiteit en zelfbeeld.
De manier waarop een kind is gestorven, heeft invloed op de gevolgen voor de ouders en de andere betrokkenen. Er kunnen traumatische symptomen zijn zoals nachtmerries en het vermijden van plaatsen die aan gebeurtenis doen denken. Dit wordt meestal in de loop der tijd minder. Soms zijn er blijvende psycho-sociale problemen. Zie ook Omstandigheden overlijden en Rouwbegeleiding in dit dossier.