
Opvoeding en ouderschap (2011)
Uitgebreide literatuurlijst voor ouders.
Over opvoeden gesproken (2010)
Boek met overzicht van methoden van opvoedingsondersteuning.
Opvoedingsondersteuning (2009)
Handreiking voor Centra voor Jeugd en Gezin.
Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.
Inge Anthonijsz is contactpersoon voor het dossier Gezinnen.
Stel een vraag
|
|
Met de meeste gezinnen gaat het financieel goed. In 2008 leefde ongeveer 95 procent van tweeoudergezinnen boven de lage-inkomensgrens en niet in armoede. Dit is anders bij eenoudergezinnen, ruim één op de vier (26,9 procent) van de eenoudergezinnen met minderjarige kinderen heeft een inkomen onder de lage-inkomensgrens (zie de cijfers in dossier Armoede). Als je gezinnen vergelijkt met huishoudens zonder kinderen, dan hebben gezinnen over het algemeen minder financiële armslag, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Bucx, van Kempen en Wildeboer Schut 2011). Dit onderzoek ('Gezinsrapport 2011') beschrijft de financiële positie van gezinnen, gebaseerd op een analyse van het inkomenspanelonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De daling in het vrij besteedbaar inkomen van gezinnen is door koopkrachtdeskundige Jasja Bos en sociaal geograaf Erna Hooghiemstra het 'gezinsdal' genoemd. Het gezinsdal bestrijkt de hele periode dat kinderen in het ouderlijk huis wonen. Pas als de kinderen het ouderlijk huis verlaten en financieel zelfstandig worden, stijgt het vrij besteedbaar inkomen van de ouders omdat er minder uitgaven zijn en niet omdat er meer inkomsten worden verdiend.
Hoe diep is zo’n gezinsdal? Hoe meer kinderen een huishouden telt, hoe dieper het gezinsdal. Met één kind besteden paren gemiddeld 18 procent van hun totale bestedingsruimte aan het kind, bij twee kinderen stijgt dit naar 27 procent en bij drie kinderen naar 33 procent van het totale gezinsbudget. Gezinsuitbreiding kost dus geld, maar elk kind kost minder dan het vorige.
De diepte van het gezinsdal wordt na het eerste kind niet beïnvloed door een verdere daling van het gezinsinkomen: dat blijft veelal stabiel. Voor vrouwen betekent de geboorte van een kind meestal dat zij minder gaan werken zodat zij zelf voor hun kind kunnen zorgen. Het gezinsinkomen daalt dus omdat vrouwen minder uren werken na de geboorte van het eerste kind (zie dossier Geboorte kind). Als er meer kinderen komen, gaan de meeste vrouwen niet minder werken. Het werkpatroon van de vrouw wordt dus bepaald na de geboorte van het eerste kind. Dit werkpatroon verandert weer op het moment dat het jongste kind naar de basisschool of de middelbare school gaat, dan gaan vrouwen weer meer uren betaald werken en stijgt het gezinsinkomen licht.