
Opvoeding en ouderschap (2011)
Uitgebreide literatuurlijst voor ouders.
Over opvoeden gesproken (2010)
Boek met overzicht van methoden van opvoedingsondersteuning.
Opvoedingsondersteuning (2009)
Handreiking voor Centra voor Jeugd en Gezin.
Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.
Inge Anthonijsz is contactpersoon voor het dossier Gezinnen.
Stel een vraag
|
|
De meeste ouders die de enquête 'Opvoeden in Nederland' (2010) hebben ingevuld gaven aan dat zij regelmatig steun krijgen uit hun sociale netwerk (Doorten en Bucx 2011). De gesprekpartners van ouders bevinden zich vooral in hun persoonlijk netwerk. (Schoon)ouders hebben een centrale rol want zij geven naast advies ook praktische steun bij het verzorgen van de kinderen. Naast de (schoon)ouders zijn vrienden en kennissen belangrijke gesprekpartners. Met de overige familieleden wordt minder over opvoeding gesproken. Buren worden zelden of nooit om advies gevraagd.
Lager opgeleide ouders krijgen minder informele steun dan middelbaar en hoger opgeleide ouders, blijkt uit hetzelfde onderzoek. Ook gezinnen met ouders zonder betaalde baan praten beduidend minder met hun (schoon)ouders over de opvoeding van hun kinderen dan wanneer één of beiden een baan hebben.
De meerderheid van de ouders geeft aan tevreden te zijn over de ondersteuning vanuit hun netwerk. Zij zijn het meest tevreden over de steun van vrienden, kennissen en (schoon)ouders. Een derde van de ouders geeft aan ontevreden te zijn over de steun die zij ontvangen van (schoon)ouders, vrienden en kennissen. De ontevredenheid over andere familieleden en buren is groter. Uit de enquête kon niet worden opgemaakt waarom ouders niet tevreden zijn. Ontevredenheid betekent niet dat ouders meer steun willen. Slechts één op de tien ouders gaf aan meer behoefte te hebben aan ondersteuning van vrienden, kennissen en (schoon)ouders.
Als ouders minder tevreden zijn over de opvoeding vragen zij meer advies van of praten ze vaker met mensen uit hun persoonlijke netwerk. Deze samenhang tussen ontevredenheid en hulp vragen gaat vooral op voor vrienden en kennissen. Uit enquêtegegevens kan deze samenhang niet worden verklaard, maar socioloog Ingrid Doorten en ontwikkelingspsycholoog Freek Bucx suggereren dat ouders in eerste instantie hulp inroepen van ouders en schoonouders. Vrienden en kennissen worden pas benaderd als de nood hoger is. Niet alle ouders zijn even tevreden over de hulp die ze krijgen. Met name ouders die onzekerder zijn en minder tevreden over hun eigen functioneren als opvoeder zijn minder tevreden over de hulp die ze ontvangen. Ook geven zij aan behoefte te hebben aan meer steun.
Moeders praten vaker met hun eigen ouders of schoonouders over de opvoeding dan vaders. Zij praten niet alleen vaker, zij zijn ook meer tevreden over de steun, en hebben ook meer behoefte aan opvoedingsondersteuning. Socioloog Doorten en ontwikkelingspsycholoog Bucx verklaren dit verschil tussen vaders en moeders uit het feit dat moeders meer tijd besteden aan het grootbrengen van kinderen. Moeders bouwen daardoor meer ervaring op, maar krijgen ook meer te maken met lastige situaties. Doordat zij meer tijd met hun kinderen doorbrengen ontmoeten zij ook vaker andere ouders met wie ze ervaringen kunnen uitwisselen.
Ouders praten niet alleen met kennissen en vrienden. Kinderopvang, peuterspeelzaal en school zijn ook belangrijke gesprekspartners. Ouders kloppen minder vaak aan bij hun huisarts, het Centrum voor Jeugd en Gezin of een bureau jeugdzorg. Socioloog Doorten en ontwikkelingspsycholoog Bucx denken dat ouders deze instanties pas benaderen als er echt iets aan de hand is. De meeste ouders zijn tevreden met de steun die ze krijgen van instanties. Zij zijn het meest tevreden met de steun van school, kinderopvang en peuterspeelzaal. Zij laten zich wat kritischer uit over het Centrum voor Jeugd en Gezin, en de schoolarts.
Ouders hebben vaak al een hele weg afgelegd voordat zij aankloppen bij formele instanties (Doorten en Bucx 2011). Zij hebben meestal eerst steun gezocht bij hun informele netwerk. Als die niet in staat is om adequate hulp te bieden, gaan zij vervolgens naar een formele instantie. Dit beeld komt ook naar voren in de cijfers van het opvoedbureau van Midden-Holland (Blaak 2011). Uit de registratiegegevens blijkt dat het opvoedbureau niet de eerste plek is waar ouders hun probleem voorleggen. Van de 462 ouders had 31 procent het probleem eerst besproken met de partner en 10 procent met familie of vrienden. Scholen (18 procent) en professionals in de jeugdgezondheidszorg (13 procent) waren belangrijke gesprekpartners bij opvoedproblemen, gevolgd door huisartsen en hulpverlening (beide 7 procent).
De beleving van de opvoeding is naast psychosociale problemen bij het kind een belangrijke reden voor het gebruik van opvoedingsondersteuning, aldus pedagogen Ellen Kleijnen en Angela van de Broek. Ook socioloog Ingrid Doorten en ontwikkelingspsycholoog Freek Bucx constateren dat ouders meer hulp vragen bij formele instanties als zij ontevreden zijn over de opvoeding. Mensen die het meest ontevreden zijn, hebben contact met maatschappelijke werk, de psycholoog en bureau jeugdzorg. Over het algemeen zijn het niet de ouders met weinig informele steun die met hun vragen aankloppen bij formele instanties. Juist de ouders die veel informele steun en advies krijgen doen dit, maar dan vooral degenen die ontevreden zijn met de steun die ze krijgen. Het gebruik van opvoedondersteuning wordt verder beïnvloed door de volgende factoren:
Volgens onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau maken bepaalde migrantengezinnen minder gebruik van opvoedingsondersteuning (Kleijnen en Van den Broek 2010). 18 procent van de Turks- en Marokkaans-Nederlandse ouders (waarbij beiden Nederlands spraken met thuiswonende kinderen van 0 tot 17 jaar) hebben het afgelopen jaar opvoedingsondersteuning gezocht. Bij autochtone ouders was dit 22 procent. Zie verder dossier Migrantengezin.