Home  > Kennis  > Dossiers  > Verstandelijk beperkte ouder  > Beleid > Standpunten kinderwens


Hilde  Kalthoff Hilde Kalthoff heeft een grote bijdrage geleverd aan het dossier 'Verstandelijk beperkte ouder'.

Stel een vraag

Print Print pagina of dossier

Print deze pagina

Print het complete dossier

Of print een selectie
Nieuws
Achtergronden
Gezinsleven
Praktijk
Beleid
Onderzoek
Literatuur
Agenda
Links
Over dit dossier

Standpunten kinderwens

Is het wel of niet wenselijk om verstandelijk beperkte ouders met een kinderwens te ontmoedigen? Die vraag legde de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Clémence Ross-van Dorp, in 2004 voor aan betrokkenen (VWS, 2004). Dit leidde tot haar standpunt dat ontmoediging wenselijk is wanneer verantwoord ouderschap slechts mogelijk is dankzij een ondersteunend netwerk (VWS, 2006): anticonceptie en voorlichting over seksualiteit heeft prioriteit. Verder wil de staatssecretaris protocollen laten ontwikkelen om te toetsen of toekomstige ouders in staat zijn tot verantwoord ouderschap. Ook is gewerkt aan een wetsvoorstel voor verplichte anticonceptie bij vrouwen met een verstandelijke beperking die blijken te falen in ouderschap. Deze visie veranderde echter. In 2010 is besloten het wetsvoorstel niet in te dienen.

Standpunt Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad (Goderie e. a.,2005) vindt dat verstandelijk gehandicapten niet het recht mag worden ontnomen om een kind te krijgen. Met de juiste ondersteuning kunnen ze immers adequate opvoeders zijn. Het is geen vereiste dat iemand zelfstandig tot ouderschap in staat is: bij de beoordeling van verantwoord ouderschap moet ook de inzet van mensen in de omgeving en gespecialiseerde derden worden meegenomen. Hierbij gelden dan wel twee eisen: de wensouders moeten over voldoende sociale vaardigheden beschikken en ontvankelijk zijn voor hulp van derden. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij een IQ van minder dan 60, is het opvoeden van een kind een te zware belasting. Onder bepaalde omstandigheden mag onder dwang anticonceptie worden toegediend.

Verstandelijk gehandicapten hebben recht op kinderen

De Federatie van Ouderverenigingen (Goderie e. a.,2005) vindt dat bij verstandelijk beperkte mensen die volledige burgerrechten hebben geen structureel ontmoedigingsbeleid past. Zij pleit voor goede voorlichting over wat het betekent om een kind te krijgen. In 2007 is de Federatie voor Ouderverenigingen opgehouden te bestaan. De collectieve taken zijn overgenomen door het Platform VG.

Standpunt KNMG

De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (KNMG) constateert dat ouderschap van mensen met een verstandelijke handicap in veel gevallen problematisch verloopt. Structureel ontmoedigingsbeleid is vanwege het recht op kinderen echter niet aan de orde (2006). Artsen hebben de volgende handelingsopties:

  1. Verstandelijk gehandicapten informeren over en aanbieden van anticonceptie, als onderdeel van seksuele voorlichting. Dit dient altijd te gebeuren.
  2. Ontmoedigen van ouderschap. Dit is alleen noodzakelijk als aan de hand van de NVAVG-standaard wordt vastgesteld dat van ‘goed-genoeg’ ouderschap geen sprake kan zijn.
  3. Reageren op mislukte ontmoediging. De arts moet overwegen of de (beperkte) wettelijke ruimte voor gedwongen anticonceptie mogelijkheden biedt. Over verruiming van het wettelijk kader is de KNMG terughoudend.
  4. Ondersteuning van risicogezinnen. De arts moet hen permanent (laten) ‘monitoren’ en bevorderen dat zij alle ondersteuning krijgen die nodig is. Vermoedt of constateert de arts (dreigende) kindermishandeling, dan onderneemt hij de nodige stappen conform de KNMG-meldcode inzake kindermishandeling.

De KNMG is terughoudend in medische interventies. Anticonceptie is geen bezwaar wanneer de verstandelijk gehandicapte na voorlichting over ouderschap zelf afziet van haar kinderwens en via anticonceptie of sterilisatie zwangerschap wil voorkomen. Meent de omgeving dat er onvoldoende sprake is van ouderschapscompetentie en blijft de verstandelijk gehandicapte bij haar kinderwens, dan zijn er andere mogelijkheden om de verwachte schadelijke gevolgen voor het kind te helpen voorkomen, zoals de vorming van een adequaat netwerk rond de ouders. Alle betrokkenen onderzoeken dan welke professionele hulp nodig is.

Juridisch kader

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens
Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (Evrem) zegt dat ieder mens het recht heeft een gezin te stichten en kinderen te krijgen, tenzij dit recht beperkt wordt door nationale regels (Verdonk, 2011). In Nederland moeten mensen wilsbekwaam zijn om in het huwelijk te treden. Deze eis geldt niet voor het krijgen van kinderen. Het vastleggen van een grens, bijvoorbeeld een IQ lager dan 60, is strijdig met het Evrem omdat op die manier hele groepen worden uitgesloten van het recht op een familieleven. In het Nederlandse recht bestaat op dit moment geen mogelijkheid om anticonceptie onder dwang toe te dienen ter voorkoming van schade aan een eventueel toekomstig kind. Dit houdt verband met de (grond)rechten op ‘family-life’, onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en het grondrecht om een gezin te stichten. Deze grondrechten zijn neergelegd in internationale verdragen en in de Nederlandse Grondwet. Beperkingen van deze rechten zijn weliswaar mogelijk, maar slechts voor zover de wet die toestaat.

Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst
In de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) is een mogelijkheid neergelegd om inbreuk te maken op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Is de patiënt wilsonbekwaam, dan kan - ondanks verzet van de patiënt - behandeling onder dwang worden toegepast. Dit kan slechts als het belang van de patiënt zélf dreigt te worden geschaad. Dit belang kan medisch, maar ook psychosociaal van aard zijn. Om te kunnen spreken van wilsbekwaamheid is volgens de Gezondheidsraad vereist dat betrokkene weet dat het niet gebruiken van anticonceptie mogelijk met zich meebrengt dat zij de verantwoordelijkheid voor het opvoeden van een kind op zich zal moeten nemen en wat de gevolgen van het ouderschap voor het eigen leven zullen zijn.

Ontmoedigen of ondersteunen?

Volgens Japke-Nynke de Vries (e.a. 2005) is ouderschap bij verstandelijk gehandicapten niet per definitie gedoemd te mislukken. Er zijn geen direct aanwijsbare factoren die voorspellen wanneer ouderschap al dan niet ‘doorschiet’ naar onverantwoord ouderschap. De beoordeling van verantwoord ouderschap moet dan ook per gezin afzonderlijk worden bepaald, waarbij moet worden ingezet op adequate ondersteuning. Verder is het effect van het ontmoedigingsbeleid waarschijnlijk beperkt. Mensen die geen hulpverlening aanvaarden zullen ook niet openstaan voor het advies om geen of niet nog meer kinderen te krijgen. De onderzoekers pleiten voor betere voorlichting over seksualiteit en ouderschap, voldoende hulpverlening om ouderschap mogelijk te maken, het ontwikkelen van een professionele standaard voor hulpverleners rond (voorgenomen) ouderschap, en voor daarmee samenhangende extra scholing en vaardigheidstraining.

Bronnen

  • Gezondheidsraad (2002). Anticonceptie voor mensen met een verstandelijke handicap. Den Haag: Gezondheidsraad, nr 2002/14.
  • Goderie, M., Steketee, M., & Plemper, E. (2005). Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking. Pilotstudie preventie voor de Raad voor de Kinderbescherming.Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
  • Ministerie VWS (2004). Anticonceptie voor verstandelijk gehandicapten, kenmerk IBE/E-2472312, Den Haag: 29 april.
  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2006). Brief aan de staatssecretaris van volksgezondheid, welzijn en sport. Den Haag: Tweede Kamer der Staten-Generaal. 2005-2006, 30 300 XVI, nr. 125.
  • Standpunt Federatiebestuur KNMG.(2006). Ouderschap van mensen met een verstandelijke handicap. Utrecht, 10 maart 2006.
  • Vries, J. N. de, Willems, D. L., Isarin, J. & Reinders, J. S. (2005). Samenspel van factoren. Inventariserend onderzoek naar de ouderschapscompetenties van mensen met een verstandelijke handicap. Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam: AMC-UvA, Divisie Klinische Methoden en Public Health, afdeling Huisartsgeneeskunde.