![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Impulsief, overbeweeglijk, nergens hun aandacht bij kunnen houden. Ongeveer 2 procent van de kinderen en jongeren tot 15 jaar heeft deze symptomen van ADHD in zo'n ernstige mate dat behandeling nodig is. Die kan bestaan uit medicijnen, goede voorlichting en gedragstherapie.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over ADHD en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Dekker: 'Betrek leerkracht bij passend onderwijs'
3 april 2013
Scholen moeten de komende tijd leerkrachten en ouders gaan betrekken bij de invoering van passend onderwijs. Dat zei staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs op 3 april in een debat in de Tweede Kamer.
ADHD komt minder voor in zonnige streken
27 maart 2013
In regio's met een hoge intensiteit van zonlicht, zoals de Amerikaanse staten Californië, Arizona en Colorado, komt minder ADHD voor dan in streken met een lagere zonintensiteit. Dat blijkt uit onderzoek dat op 26 maart is verschenen in het wetenschappelijk tijdschrift Biological Psychiatry.
'Jeugdpsychiatrie moet grens 18 jaar loslaten'
21 januari 2013
De strikte leeftijdsgrens van 18 jaar tussen kinder- en jeugdpsychiatrie en volwassenenpsychiatrie moet verdwijnen. Daarvoor pleitte Therese van Amelsvoort, bijzonder hoogleraar Transitiepsychiatrie aan de Universiteit Maastricht, in de oratie die zij 18 januari uitsprak.
Antipsychoticagebruik kinderen neemt toe
11 december 2012
Het aantal kinderen dat antipsychotica gebruikt, steeg van 13.000 in 2007 naar ruim 16.000 in 2012. Ook het gebruik per kind nam toe. Kregen de kinderen in 2007 nog gemiddeld drie recepten per jaar, inmiddels is dat drieënhalf. Dat schrijft RTL Nieuws.
Kind met ADHD heeft vaak ook taalprobleem
22 november 2012
Kinderen met ADHD hebben vaak een taalprobleem, waardoor ze in de dagelijkse communicatie net zo slecht scoren als kinderen met Ernstige Spraak- en taalmoeilijkheden (ESM). Dat concludeert Esther Parigger in haar onderzoek, waarop ze 30 november promoveert aan de UvA.
School neemt ouders zorgleerling vaak niet serieus
1 oktober 2012
Ouders van kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, worden door de school vaak niet als serieuze gesprekspartner gezien. Dat schrijft de Ombudsman in een rapport dat op 1 oktober is gepresenteerd.
Minder verslaving door vroege aanpak gedragsproblemen
27 september 2012
Gedragsproblemen op kinderleeftijd zijn een risicofactor voor het ontwikkelen van een verslaving op latere leeftijd. Dat blijkt uit onderzoek waarop Pieter-Jan Carpentier op 27 september promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
ADHD vergroot risico op zelfbeschadiging bij meisjes
13 september 2012
Meer dan 50 procent van de Amerikaanse meisjes met ADHD beschadigt zichzelf en meer dan 20 procent doet een zelfmoordpoging. Dat ontdekten Amerikaanse onderzoekers die tien jaar lang een groep meisjes met ADHD volgden.
Vroege psychische aandoening beïnvloedt inkomen
6 september 2012
Kinderen en adolescenten met een psychische aandoening hebben als volwassene meer kans op een laag huishoudinkomen. Dat blijkt uit internationaal onderzoek waar het Trimbos-instituut en de Rijksuniversiteit Groningen aan meewerkten.
1 op de 22 jongeren gebruikt ADHD-medicijn
30 juli 2012
Apotheken verstrekten in 2011 aan tweehonderdduizend mensen medicijnen voor ADHD. Dat is 14 procent meer dan in 2010. Dat blijkt uit cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen.
Hier vindt u achtergrondinformatie over ADHD: wat houdt ADHD in, hoeveel kinderen en jongeren hebben het en wat zijn mogelijke oorzaken?
ADHD staat voor 'attention deficit hyperactivity disorder'. In het Nederlands wordt het ook wel 'aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit' genoemd. Omdat het gedrag dat hoort bij ADHD een verstorend effect heeft op de omgeving, valt ADHD onder de externaliserende psychische stoornissen. Kenmerkend voor ADHD zijn aandachtstekort, overbeweeglijkheid en impulsiviteit.
Drie vormen van ADHD
Het diagnostisch handboek voor psychiaters, de zogenaamde DSM-IV-TR (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), onderscheidt drie vormen van ADHD:
Niet ieder druk kind heeft ADHD
Als een kind symptomen van ADHD vertoont, wil dat nog niet zeggen dat het deze stoornis ook echt heeft. Tijdelijke of plotseling voorkomende symptomen van ADHD kunnen een reactie zijn op een traumatische gebeurtenis of een spannende periode. Rusteloosheid kan bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van angst. Verder kunnen dergelijke symptomen ook veroorzaakt worden door schizofrenie of een neurologische ziekte.
Het is niet bekend hoeveel kinderen en jongeren op dit moment ADHD hebben. Er zijn geen Nederlandse onderzoeken of registraties die daarover betrouwbare gegevens kunnen leveren. Maar het is wel mogelijk om een schatting te maken. Op grond van verschillende gegevens kan men ervan uitgaan dat 2 tot 6 procent van alle jeugdigen ADHD heeft.
In het NEMESIS-2 onderzoek is bij volwassenen een diagnostisch interview afgenomen waarmee onder andere ADHD in de kindertijd kan worden bepaald. Van de 18- tot 44-jarige deelnemers aan dit onderzoek heeft, afgaande op dit interview, 2,9 procent in de jonge jaren ADHD gehad. Bij meer dan 70 procent van deze groep is ook in de volwassenheid nog sprake van ADHD. Van de deelnemers die in hun kindertijd ADHD hadden, is ongeveer drie kwart man. Rond de 48 procent van hen is van het onoplettende type, 16 procent is hyperactief/impulsief en 36 procent is van het gecombineerde type (Tuithof e.a., 2010). In een eerdere rapportage van het NEMESIS-2 onderzoek (De Graaf e.a., 2010) is aangegeven dat 4,7 procent van de 18- tot 24-jarigen ooit in het leven symptomen van ADHD heeft gehad: 7,8 procent van de jonge mannen en 1,8 procent van de jonge vrouwen.
Aan het begin van deze eeuw is, op grond van buitenlands onderzoek, geschat dat tussen de 3 en 6 procent van de kinderen ADHD heeft (Gezondheidsraad, 2000). De enige andere cijfers uit Nederlands onderzoek dateren uit 1993 (Verhulst e.a., 1997). Volgens dit onderzoek heeft minder dan 2 procent van de 13- tot 18-jarigen ADHD in een mate die hen in het dagelijks leven hindert.
Laatst bewerkt: 7 september 2012
Geen toename van aantal kinderen met ADHD
De Gezondheidsraad stelt, op grond van buitenlands onderzoek, dat ongeveer 5 à 6 procent van alle kinderen symptomen van ADHD heeft. Bij 2 procent van de kinderen zijn die symptomen zo ernstig dat ze behandeling nodig hebben, terwijl 4 procent van de kinderen met minder ernstige symptomen te maken heeft. Het aantal kinderen en jongeren met ADHD neemt volgens de Gezondheidsraad niet toe. Wel krijgen meer kinderen en jongeren de diagnose omdat de stoornis beter herkend en onderkend wordt.
Meer jongens dan meisjes met ADHD
ADHD komt meer voor bij jongens dan bij meisjes. Uit bevolkingsonderzoeken blijkt dat twee tot drie keer zoveel jongens als meisjes ADHD hebben. Het aantal jongens dat een behandeling krijgt, is zelfs vijfmaal groter dan het aantal meisjes. De helft tot tweederde van de kinderen met ADHD houdt als volwassene symptomen.
Prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten
NEMESIS (Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study)
Het is onduidelijk wat ADHD precies veroorzaakt en in stand houdt. Wel is bekend dat erfelijkheid een grote rol speelt, en dat er neurologische afwijkingen aan ten grondslag liggen, zoals veranderde hersenactiviteit. Daarnaast is er een aantal factoren die de individuele kwetsbaarheid vergroten, zoals prenatale blootstelling aan alcohol en nicotine. De omgeving heeft geen grote invloed op het ontstaan van ADHD, mogelijk wel op het voortbestaan ervan.
ADHD is sterk erfelijk. Diverse schattingen noemen dat ADHD voor bijna 80 procent is toe te schrijven aan genen. Broertjes en zusjes van kinderen met ADHD hebben 2 tot 3 maal meer kans dat ze zelf ook ADHD hebben.
Bij veel kinderen met ADHD is sprake van een verminderd activatieniveau in de hersenen. Ook hebben deze kinderen vaker afwijkingen in het hersenvolume en in de verhoudingen tussen bepaalde delen in de hersenen. Het is onduidelijk of dit oorzaken zijn van ADHD, of juist gevolgen.
Bepaalde kenmerken of factoren uit de omgeving kunnen ook een rol spelen bij het ontstaan en in stand houden van ADHD. Wanneer een kind bijvoorbeeld in de baarmoeder bloot staat aan bepaalde giftige stoffen (bijvoorbeeld alcohol of nicotine), of wordt geboren met een laag geboortegewicht, dan zijn dit risicofactoren voor het ontstaan van ADHD. Ook het gezin speelt een rol: uit onderzoek blijkt dat opvoedgedrag van de ouders een rol speelt in de uiting van ADHD.
Omdat ADHD sterk erfelijk is en er neurologische afwijkingen aan ten grondslag liggen, is er weinig bekend over beschermende factoren.
Kinderen met ADHD vragen echter veel van de opvoedvaardigheden van hun ouders. Wanneer ouders over goede opvoedvaardigheden (duidelijke structuur, realistische verwachtingen) beschikken en daarmee kunnen voldoen aan de hoge eisen van hun kinderen, dan zullen de ADHD symptomen minder sterk tot uiting komen. Ook bestaan er psychosociale interventies met als doel het vergroten van de opvoedvaardigheden van ouders met kinderen met ADHD, waardoor goede opvoedvaardigheden als beschermende factor kan worden beschouwd.
Meer informatie over oorzaken van ADHD bij kinderen en jongeren vindt u in:
Oorzaken van ADHD
.
Hier vindt u informatie over wat werkt in de behandeling van ADHD: welke instrumenten en richtlijnen bestaan er voor het signaleren en diagnosticeren van ADHD bij kinderen en jongeren en welke interventies zijn effectief?
Symptomen van ADHD kunnen het beste worden behandeld met een combinatie van medicatie (methylfenidaat, zoals Ritalin of Concerta) en (cognitieve) gedragstherapie. Daarnaast is psycho-educatie een belangrijk onderdeel van de behandeling. De laatste jaren neemt de kennis over andere behandelingen toe. Zo laten de eerste onderzoeken naar neurofeedback - het trainen van de hersenen - een bemoedigend beeld zien. Ook naar de invloed van voeding op ADHD wordt steeds meer onderzoek gedaan, met veelbelovende resultaten.
De behandeling van ADHD richt zich op de volgende doelen:
Pychosociale interventies kunnen gericht zijn op de ouders, maar ook op de school of op het kind zelf. Voor ouders is het belangrijk dat ze uitgebreide informatie krijgen over ADHD, zodat zij hun kind beter kunnen helpen en realistische verwachtingen krijgen van de behandeling. Ook gedragstherapeutische training voor ouders en leerkrachten kan helpen om probleemgedrag van het kind te verminderen. Voorbeelden van psychosociale interventies voor kinderen zijn (cognitieve) gedragstherapie en socialevaardigheidstraining.
Medicatie en psychosociale hulp kunnen gecombineerd worden. Psychosociale interventies zijn een alternatief voor medicijnen wanneer die niet aanslaan, te veel bijwerkingen hebben of bij het gezin op grote bezwaren stuiten.
Een uitgebreide beschrijving over wat werkt bij ADHD vindt u in:
Wat werkt bij kinderen en jongeren met ADHD? 
Een folder over de werkzame factoren: Kinderen en jongeren met ADHD: wat werkt? 
Informatie over medicatie en psychologische behandelvormen is ook te vinden op de site van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
In Nederland bestaat een aantal erkende interventies voor kinderen en jongeren met ADHD.
De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.
Interventies voor kinderen met ADHD zijn doorgaans gericht op het verminderen van de gedragsproblemen die met ADHD samenhangen. Er zijn hiervoor tot dusver zes in Nederland erkende interventies: Behavioral Parent Training Groningen (BPTG), Cogmed RM, Groepsmediatietherapie, Pelsser Voeding en Gedrag (PVG)-dieet, Pubers met ADHD en Remweg.
Het 'Pelsser Voeding en Gedrag (PVG)-dieet' is een eliminatiedieet voor kinderen van 2 tot 15 jaar met symptomen van ADHD en een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Deze interventie is door de Erkenningscommissie Interventies erkend als bewezen effectief: het dieet vermindert de symptomen aanzienlijk voor een deel van de kinderen met ADHD.
'BPTG' en 'Groepsmediatietherapie' zijn beide ontwikkeld voor ouders van kinderen tussen 4 en 12 jaar met ADHD. 'Pubers met ADHD' is ontwikkeld voor ouders van kinderen tussen 13 en 18 jaar met ADHD. Het zijn groepstrainingen waarin ouders leren passend te reageren op hun kind, waardoor de gedragsproblemen afnemen. BPTG is erkend als waarschijnlijk effectief. Groepsmediatietherapie en Pubers met ADHD zijn erkend als theoretisch goed onderbouwd. 'Remweg' is een cognitief-gedragstherapeutisch programma voor impulsieve, drukke kinderen (van 6 tot 13 jaar) met ADHD. Cogmed RM is gericht op kinderen tussen 7 en 18 jaar met een werkgeheugenprobleem. Door middel van werkgeheugentaken kan deze training de concentratie en aandacht van bijvoorbeeld kinderen en jongeren met ADHD verbeteren. Remweg en Cogmed RM zijn door de erkenningscommissie erkend als theoretisch goed onderbouwd.
Daarnaast zijn er een aantal erkende interventies die op een breder scala aan gedragsproblemen gericht zijn, waaronder ook met ADHD samenhangende gedragsproblemen.
Tot slot is er één erkende interventie die niet gericht is op ADHD, maar wel effect op ADHD-gedrag blijkt te hebben. Dat is de interventie 'Taakspel', voor het vermeerderen van taakgericht gedrag en het verminderen van regelovertredend gedrag bij leerlingen in groep 4 tot 8 van het basisonderwijs.
Informatie over de werkzame mechanismen bij de aanpak van gedragsproblemen die samenhangen met ADHD vindt u onder Wat werkt
Voor het vaststellen van symptomen van ADHD zijn diverse instrumenten beschikbaar. Deze instrumenten zijn te verdelen in instrumenten voor vroegsignalering, voor screening en voor diagnostiek.
Vroegsignalering leidt tot de constatering dat er mogelijk sprake is van (het risico op) ADHD. Vroegsignalering vindt plaats wanneer het vermoeden van problemen niet duidelijk is afgebakend tot een bepaald type probleem zoals ADHD. Als er bij vroegsignalering blijkt dat er symptomen van ADHD aanwezig zijn, dan is verdere screening noodzakelijk.
Instrumenten die kunnen worden gebruikt voor de vroegsignalering van ADHD zijn:
Andere vroegssignaleringsinstrumenten zijn de CBCL, TRF en YSR. Omdat deze instrumenten vrij lang zijn worden deze vooral ingezet voor screening. De CBCL, TRF en YSR worden hieronder bij screening gemeld.
Screeningsinstrumenten worden in een later stadium ingezet, wanneer er vermoedens van ADHD zijn.
Een voorbeeld van een screeningsinstrument is Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Deze vragenlijst onderzoekt vier clusters van gedragsproblemen, waaronder ADHD.
Instrumenten die kunnen worden ingezet bij de screening op ADHD zijn:
Als uit de screening naar voren komt dat een kind mogelijk ADHD heeft, dan is verdere diagnostiek door een gedragswetenschapper noodzakelijk. Een voorbeeld van een diagnostisch instrument is de Kiddie-SADS-lifetime versie (K-SADS-PL). Dit semi-gestructureerde interview gebruikt de criteria uit het diagnostisch handboek voor psychiaters (DSM-III-R en DSM-IV) om zicht te krijgen op psychopathologie bij kinderen en jongeren. Instrumenten die bijdragen aan het stellen van de diagnose zijn:
Meer informatie over instrumenten voor het signaleren en diagnosticeren van ADHD is ook te vinden op de site van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
Richtlijnen zijn bedoeld om de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren. Een richtlijn bestaat uit aanbevelingen, adviezen en instructies die professionals in de zorg helpen bij het nemen van beslissingen. Een richtlijn is gebaseerd op de resultaten van (wetenschappelijk) onderzoek en op discussies die daarover hebben plaatsgevonden. Een richtlijn is bedoeld om zo concreet mogelijk aan te geven wat doeltreffend en doelmatig handelen inhoudt.
Multidisciplinaire richtlijn ADHD
Sinds 1999 wordt gewerkt aan het verbeteren van richtlijnen voor de geestelijke gezondheidszorg. Dat heeft onder andere de 'Multidisciplinaire richtlijn ADHD bij kinderen en jeugdigen' opgeleverd. Die richtlijn is in 2007 goedgekeurd door de betrokken beroepsverenigingen. De richtlijn vloeit voort uit een advies van de Gezondheidsraad over de diagnostiek en behandeling van ADHD aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De richtlijn in de praktijk
De multidisciplinaire richtlijn is geschreven voor iedereen die bij de professionele zorg voor kinderen en jongeren met ADHD betrokken is, maar in het bijzonder voor wie zich bezighoudt met diagnostiek en behandeling.
De aanbevelingen uit de richtlijn zijn voor de praktijk vertaald in het 'Landelijk Basisprogramma ADHD bij kinderen en jeugdigen'. Dit programma bevat bouwstenen voor het opstellen van een zorgprogramma voor kinderen en jongeren met ADHD op regionaal niveau. In het basisprogramma staat welk hulpaanbod nodig is en wie dat kan leveren.
U kunt het Landelijk Basisprogramma ADHD bij kinderen en jeugdigen downloaden als pdf-document van de website van het Trimbos-instituut.
Hieronder vindt u een selectie van beschrijvingen uit de databank Instrumenten en Richtlijnen.
Richtlijnontwikkeling
Beroepsverenigingen in de jeugdzorg ontwikkelen tussen 2011 en 2015 dertien richtlijnen, waaronder de richtlijn ADHD. Meer informatie hierover kunt u vinden bij het project Richtlijnontwikkeling Jeugdzorg.
Ouders zullen vaak als eerste merken dat een kind drukker is dan normaal. Deze signalen zullen zij als eerste bespreken bij organisaties waar zij toch al komen, zoals de huisarts, de jeugdgezondheidszorg of het Centrum voor Jeugd en Gezin. Daarnaast kunnen de basisschool of de kinderopvang ook signaleren dat het kind zich afwijkend gedraagt. Zij zullen deze signalen bespreken met de ouders en zorgen dat er verdere stappen ondernomen worden.
Als er daadwerkelijk signalen zijn dat er sprake is van ADHD, komen kinderen en jongeren meestal als eerste terecht bij bureau jeugdzorg. Bureau jeugdzorg onderzoekt de eerste signalen en als er iets aan de hand lijkt te zijn, verwijst zij door. Voor de diagnose en behandeling van ADHD kunnen kinderen en jongeren terecht bij instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, zoals het jeugd-riagg, en de kinder- en jeugdpsychiatrische klinieken. Ouders kunnen bij diverse organisaties terecht voor advies en ondersteuning bij de opvoeding van kinderen met ADHD.
Beschrijvingen van betrokken organisaties, afkomstig uit het Overzicht van de jeugdsector dat u elders op deze site kunt raadplegen:
Dit overzicht bevat relevante na- en bijscholing. De informatie is afkomstig uit de databank Na- en Bijscholing van het Nederlands Jeugdinstituut.
Om een professionele manier van het werken te kunnen waarborgen, is het van belang dat na- en bijscholing van goede kwaliteit is. Daarom beoordelen beroepsregisters via accreditatie de kwaliteit en bijdrage van de scholing voor de beroepsuitoefening van de betreffende beroepsgroep. Bij de databank Na- en Bijscholing vindt u meer informatie over deze accreditatie.
Leerlingen met ADHD komen steeds meer voor in het regulier onderwijs. Concrete cijfers uit Nederlands onderzoek zijn er niet, maar volgens deskundigen heeft twee tot zes procent van de kinderen ADHD. Dat betekent dat elke onderwijsprofessional in zijn loopbaan met zulke leerlingen te maken krijgt. Tijdens lerarenopleidingen wordt weinig aandacht besteed aan gedragsproblemen en -stoornissen. Het komt dus vaak neer op het eigen inzicht van de onderwijsprofessional hoe hier het beste mee om te gaan. Deze onderwijspagina biedt een overzicht van wat er bekend is over ADHD binnen het onderwijs en biedt handvatten voor de onderwijsprofessional. De volgende vragen en aspecten worden behandeld:
ADHD is een afkorting van Attention Deficit Hyperactivity Disorder. In dit dossier vindt u onder probleemschets de uitleg over de verschillende vormen, cijfers en oorzaken van ADHD. Een leerkracht zal vaak intuïtief aanvoelen dat een leerling anders is, maar dit niet meteen kunnen koppelen aan ADHD. De belangrijkste vraag is wat te zien is in de klas: wat zijn de symptomen van ADHD-gedrag?
Cordys onderwijstrajecten biedt op hun website compacte beschrijvingen aan van regelmatig voorkomende problemen. In de handelingswijzer AD(H)D staat onder andere omschreven hoe de onderwijsprofessional deze stoornis / dit gedrag kan herkennen. Deze wijzer is als uitgangspunt gebruikt:
Aandachtsproblemen; deze leerlingen hebben meer dan gemiddeld moeite om:
Hyperactiviteit-impulsiviteit: zij hebben meer dan gemiddeld moeite om:
Wat doen deze leerlingen wel?
Als een kind symptomen van ADHD vertoont, wil dit nog niet zeggen dat het deze stoornis ook echt heeft. Tijdelijke of plotseling voorkomende symptomen van ADHD kunnen een reactie zijn op een traumatische gebeurtenis of een spannende periode. Rusteloosheid kan bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van angst. Verder kunnen dergelijke symptomen ook veroorzaakt worden door schizofrenie of een neurologische ziekte.
Uit de praktijk blijkt dat bij een leerling met ADHD ook nogal eens sprake is van een samengaan met andere problemen in het sociale functioneren en op andere gebieden binnen het dagelijkse functioneren (Landelijke Stuurgroep, 2005). Er is een verhoogde kans op onder meer gedragsstoornissen, antisociaal gedrag, drugsgebruik, persoonlijkheidsproblemen en emotionele problemen. Uit onderzoek blijkt dat bij 44 procent van de ADHD-patiënten sprake is van comorbiditeit. Bij zulke zogenaamde comorbiditeit moet uit diagnostisch onderzoek blijken wat als meest ernstige probleem moet worden aangepakt.
Er zijn veel symptomen die horen bij ADHD. Het gaat niet alleen om het voorkomen van de criteria, maar ook om de heftigheid en intensiteit (Lieshout, 2002). De leerkracht heeft een belangrijke taak bij het signaleren van de problemen, omdat hij het kind goed kan vergelijken met de andere leerlingen (Steunpunt ADHD). Wanneer de leerling hierin negatief opvalt, is het raadzaam dat de leerkracht de problemen niet te lang aankijkt en in overleg gaat.
Het onderzoek of er sprake is van ADHD moet gebeuren door een multidisciplinair team, waarin de kennis en observaties van ouders, begeleiders, de school, orthopedagogen, huisartsen, eventueel neurologen en kinder-/jeugdpsychiaters betrokken worden (Lieshout, 2002). Vooral de laatste speelt bij dit onderzoek een belangrijke rol, doordat hij medicatie kan voorschrijven en dit kan begeleiden.
Wanneer een leerkracht symptomen van ADHD herkent bij zijn leerling, betekent dit niet per definitie dat hij ADHD heeft. In de Multidisciplinaire richtlijn ADHD bij kinderen en jeugdigen van het Trimbos-instituut (2005) staat de richtlijntekst voor signalering: 'Signalering betekent 'probleemsignalering', met name op jonge leeftijd, en zal weinig specifiek zijn ten aanzien van de ADHD-kenmerken. Men dient zich te realiseren dat op jonge leeftijd specifieke ADHD-symptomen moeilijk te onderscheiden zijn van normale ontwikkelingsverschijnselen. Moeite met de aandachtsregulatie, afleidbaarheid, hyperactiviteit en impulsiviteit zijn op bepaalde momenten, bijvoorbeeld in de peuter- en kleuterleeftijd, volstrekt normale observaties.' De betrouwbaarheid van de ADHD-diagnose neemt in grote mate toe na het zesde levensjaar.
Voor het vaststellen van symptomen van ADHD zijn diverse instrumenten beschikbaar die worden onderverdeeld in instrumenten voor vroegsignalering, voor screening en voor diagnostiek. Een aantal, waaronder de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) en Teacher’s Report Form (TRF), zijn voor de leerkracht om in te vullen. Deze lijsten kunnen laten zien dat een leerling opvallend gedraag vertoont, maar er kan nooit een absolute conclusie aan worden verbonden. Nog een voorbeeld van een screeningsinstrument is de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Deze vragenlijst onderzoekt vier clusters van gedragsproblemen, waaronder ADHD. Net als voor de SDQ en TRF geldt dat de resultaten van de SEV geïnterpreteerd moeten worden door een psychodiagnostisch geschoold persoon.
Lees meer over de signaleerlijsten bij het onderdeel Instrumenten van dit dossier.
De symptomen van ADHD kunnen het beste worden behandeld met een combinatie van medicatie en (cognitieve) gedragstherapie. Daarnaast is psycho-educatie een belangrijk onderdeel. Dit speelt zich vooral af buiten het klaslokaal.
In het klaslokaal wordt onbewust vaak aandacht besteed aan de tekortkomingen van een leerling met ADHD, maar een behoefte is juist om te focussen op de sterke punten van de leerling. Bij ADHD komen positieve kenmerken naar voren als creatief, spontaan, empatisch, sterke intuitie, plezier hebben en gevoel voor humor, goed in het vinden van nieuwe oplossingen, goed in crisissituaties, niet lang boos, energiek, open, gedreven, enthousiast en eerlijk.
Het is belangrijk dat de aanpak voor de leerkracht in de klas bestaat uit (Cordys, 2013):
Er zijn drie aandachtspunten voor de leerkracht die beter vermeden kunnen worden bij leerlingen met ADHD:
Voor meer tips en uitleg over het omgaan met AD(H)D in de klas, zie de website Steunpuntadhd.nl.
Er zijn op dit moment geen erkende interventies die (mede) gericht zijn op jeugdigen met ADHD bij de Databank Effectieve Jeugdinterventies bekend die in de klas door de leerkracht kunnen worden uitgevoerd. Zie voor interventies die door andere jeugdprofessionals kunnen worden uitgevoerd het onderdeel Erkende interventies van dit dossier.
Lees meer over werkzame factoren bij ADHD bij het onderdeel Wat werkt in dit dossier.
Hoewel een leerkracht de leerling met ADHD in de klas heeft, reikt kennis en begrip van ADHD verder dan alleen de klas (Vercaeren en Danckaerts, 2009). Kenmerken van een ADHD-vriendelijke school zijn onder andere:
Het beleid rondom zorgleerlingen gaat veranderen. Eén van de maatregelen is de afschaffing van het rugzakje. Dit zal ook consequenties hebben voor de leerlingen met ADHD. Meer informatie hierover is te lezen bij het onderdeel Beleid van dit dossier.
De Databank Na- en Bijscholing van het Nederlands Jeugdinstituut bevat relevante na- en bijscholing over ADHD. Er is op dit moment geen specifieke scholing voor onderwijsprofessionals. Voor opleidingen en cursussen over ADHD voor onderwijsprofessionals, zie de website van het Steunpunt ADHD.
Kinderen en jongeren met ADHD die een indicatie hebben voor minder dan tien uur per week begeleiding dreigen hun recht op een persoonsgebonden budget kwijt te raken in 2013. Ze behouden wel het recht op zorg in natura.
Kinderen en jongeren met ADHD die een indicatie hebben voor minder dan tien uur per week voor begeleiding, dreigen hun recht op een persoonsgebonden budget (pgb) kwijt te raken in 2013. Het kabinet Rutte (2010-2012) heeft in 2011 aangekondigd dat er 700 miljoen op het pgb moet worden bezuinigd. In het Lenteakkoord van 2012, gesloten door de vijf partijen (CDA, VVD, ChristenUnie, GroenLinks en D66) zijn de bezuinigingen teruggebracht tot 550 miljoen.
Kinderen en jongeren met ADHD die naast begeleiding ook andere zorg nodig hebben, dus persoonlijke verzorging en/of verpleging, al is het maar voor een uur per week, kunnen wel gebruik blijven maken van een pgb. Ook jongeren met een verblijfsindicatie houden gewoon recht op pgb. Kinderen en jongeren met een indicatie voor minder dan tien uur per week begeleiding krijgen dus geen pgb meer, maar ze hebben wel recht op zorg in natura.
Twee uitgesproken opvattingen over ADHD hebben in 2012 het nieuws gehaald: ‘De diagnose ADHD wordt veel te vaak gesteld’ en ‘Kinderen met ADHD krijgen te makkelijk pillen voorgeschreven’. In haar boek ‘Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen’ zet Laura Batstra van de Rijksuniversiteit Groningen zich af tegen de praktijk om drukke kinderen met gedragsproblemen meteen door te verwijzen naar de kinder- en jeugdpsychiater. Daar krijgen ze vrijwel allemaal de diagnose ADHD en vervolgens een recept voor Ritalin of Strattera, zegt zij. Deze kinderen kunnen beter eerst naar een gedragswetenschapper gaan. Batstra vindt ook dat de farmaceutische industrie te veel invloed heeft. Die stimuleert op onverantwoorde wijze het gebruik van medicijnen en belemmert zo de ontwikkeling en toepassing van andere vormen van behandeling.
In het voorjaar van 2012 heeft Lea Bouwmeester, lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, de minister vragen gesteld over de toename in diagnoses ADHD en in het gebruik van medicijnen. Dit naar aanleiding van een rapport van de Stichting Nederlands Comité voor de Rechten van de Mens. Minister Schippers wees er in haar antwoord op dat deze stichting banden heeft met de Scientology Church en die stelt al sinds jaar en dag ieder gebruik van medicijnen bij psychiatrische problemen aan de kaak. Verder verwees de minister naar de multidisciplinaire richtlijn die uitgaat van behandeling langs twee sporen: medicinaal en gedragstherapeutisch. Zij stelde dat het in de eerste plaats aan de beroepsgroep zelf is om de beste behandeling vast te stellen. Zij zegde wel toe om samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg het voorschrijven van ADHD-medicatie te gaan onderzoeken. En verder wil minister Schippers ook de aanhoudende signalen over onverantwoord medicijngebruik bespreken met de beroepsgroepen.
. Amsterdam, Stichting Nederlands Comité voor de Rechten van de Mens.
De overheid wil stimuleren dat alle kinderen zoveel mogelijk meedoen in de maatschappij. Hiervoor bestaat een aantal regelingen waarvan kinderen en jongeren met ADHD gebruik kunnen maken als ze extra zorg nodig hebben.
Voor kinderen en jongeren met ADHD die niet zonder extra hulp regulier onderwijs kunnen volgen, is er de zogenaamde ‘rugzakregeling’. Het rugzakje is een 'leerlinggebonden financiering' (lgf). Deze regeling is er in het primair en voortgezet onderwijs sinds 2003 en vanaf 2006 in het middelbaar beroeps onderwijs. Voor het rugzakje is een indicatie nodig die ouders kunnen aanvragen bij de Commissie voor de Indicatiestelling (CvI). Elk Regionaal Expertisecentrum (REC) heeft een eigen CvI. De rugzakregeling vervalt waarschijnlijk per 1 augustus 2014. In plaats hiervan komt de zorgplicht voor scholen. Dit houdt in dat een school de taak heeft elk kind dat extra ondersteuning nodig heeft, een zo goed mogelijke plek in het onderwijs te bieden.
Kinderen en jongeren met ADHD die extra zorg nodig hebben, kunnen in aanmerking komen voor het speciaal basisonderwijs (sbo), speciaal voortgezet onderwijs (svo) of het speciaal onderwijs (so). Een school voor speciaal basisonderwijs (sbo) is bedoeld voor kinderen die meer hulp nodig hebben bij de opvoeding en het leren dan het reguliere basisonderwijs kan bieden. Sbo's vallen onder de Wet op het Primair Onderwijs. Plaatsing op een sbo-school wordt geregeld door de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). In deze commissie zitten vertegenwoordigers van het samenwerkingsverband WeerSamenNaarSchool (WSNW) waarin basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs samenwerken. Met de invoering van de wet Passend onderwijs per 1 augustus 2014 verdwijnen de PCL en de samenwerkingsverbanden WSNS. Lees meer over de wet Passend onderwijs in het dossier Autisme op deze website.
Speciaal (voortgezet) onderwijs is voor kinderen die geen regulier onderwijs kunnen volgen en door de ernst of aard van hun beperking ook niet in aanmerking komen voor speciaal basisonderwijs (sbo). Scholen voor so en svo vallen onder de Wet op de Expertisecentra (WEC). Toelating van leerlingen gebeurt op indicatie van het Centrum voor Indicatiestelling (CvI) van de Regionale Expertisecentra (REC's). In het wetsvoorstel Passend onderwijs verdwijnen de Regionale Expertisecentra en de hieraan verbonden Centra voor Indicatiestelling. In plaats hiervan worden samenwerkingsverbanden in het primair en het voortgezet onderwijs geformeerd waarvan alle scholen in een regio (met uitzondering van scholen in cluster 1 en 2) deel uitmaken.
Kinderen en jongeren met ADHD kunnen een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen. De (ouder van) kind ontvangt een geldbedrag waarmee hulp en begeleiding kan worden ingekocht. Het aanvragen van een indicatie voor AWBZ loopt via het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) of bureau jeugdzorg. Een groot aantal zorgaanbieders kan de aanvraag voor de cliënt indienen. Kinderen en jongeren met ADHD met een indicatie voor minder dan tien uur per week begeleiding dreigen in 2013 hun persoonsgebonden budget kwijt te raken.
De Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende (zorgafhankelijke) Gehandicapte kinderen (TOG-regeling) is een ministeriële regeling die ouders een extra tegemoetkoming geeft in de kosten van gehandicapte kinderen van 3 tot 18 jaar die thuis verzorgd worden. Een ouder kan de TOG aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De regeling is in werking sinds 1997. Sinds 2000 is de doelgroep verruimd. Per 1 april 2010 is de regeling weer aangescherpt. Alleen ouders van kinderen die een geldig indicatiebesluit voor AWBZ-zorg hebben voor minimaal 10 uur per week, komen vanaf 1 april 2010 nog in aanmerking voor deze financiële bijdrage.
Chronisch zieken en gehandicapten kunnen een jaarlijkse tegemoetkoming ontvangen ter compensatie van de meerkosten die zij maken als gevolg van hun aandoening of beperking. Dit is sinds 1 januari 2009 geregeld in de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten (Wtcg). Deze wet vervangt de fiscale regeling Buitengewone Uitgaven. De Wtcg geldt voor iedere chronisch zieke en gehandicapte, ongeacht de leeftijd. Om te bepalen of een chronisch zieke of gehandicapte in aanmerking komt voor de tegemoetkoming wordt gekeken naar het zorggebruik in een bepaald jaar. Per 1 januari 2012 is de tegemoetkoming – die in 2013 wordt uitgekeerd – inkomensafhankelijk geworden. Concreet houdt dit in dat mensen die boven een vastgestelde inkomensgrens zitten, niet meer in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
De Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) is een inkomensvoorziening voor jonggehandicapten van 18 tot 65 jaar die voor de leeftijd van 17 jaar of voor hun 30ste en tijdens hun studie arbeidsongeschikt zijn geworden. De aanvrager moet voor minstens 25 procent arbeidsongeschikt zijn om een uitkering te kunnen krijgen. Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 procent of meer is de hoogte van de uitkering 75 procent van het wettelijk minimumloon. De hoogte van de uitkering daalt naarmate het arbeidsongeschiktheidspercentage afneemt. Het begrip 'jong' in 'jonggehandicapte' heeft te maken met het moment waarop iemand gehandicapt is geraakt; dus op jonge leeftijd. Op 1 februari 2012 is het voorstel voor de 'Wet werken naar vermogen' (WWNV) aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel regelt dat de Wajong alleen toegankelijk is voor jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De jongeren die (gedeeltelijk) kunnen werken, gaan onder de WWNV vallen. Het UWV beoordeelt of jongeren (gedeeltelijk) kunnen werken. De jonggehandicapten die onder de werking van de Wajong recht hebben op 75 procent van het wettelijk minimumloon, gaan er, als ze vallen onder de WWNV, in hun uitkering op achteruit (70 procent van het wettelijk minimumloon). Het wetvoorstel is op 5 juni 2012 controversieel verklaard. Dit betekent dat de Tweede Kamer het voorstel in de periode van het kabinet Rutte (2010-2012) niet meer behandelt. Lees meer over het wetsvoorstel Werken naar vermogen in het dossier Armoede op deze website.
Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.
Hier vindt u een selectie van relevante literatuur uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u zelf kunt zoeken naar literatuur.
Er zijn op dit moment geen evenementen over het thema ADHD bij het Nederlands Jeugdinstituut bekend. Andere congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
In Nederland houden verschillende organisaties zich bezig met ADHD:
Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie is een samenwerkingsverband van academische en niet-academische kinder- en jeugdpsychiatrische instellingen in Nederland. Het doel van het kenniscentrum is om expertise, met name op het gebied van ADHD, te bundelen en te vertalen in praktisch bruikbare en breed toepasbare protocollen voor de diagnostiek en behandeling van kinderen en jongeren met psychiatrische aandoeningen.
Meer informatie: www.kenniscentrum-kjp.nl.
Het ADHD Research Centrum onderzoekt de relatie tussen voeding en gedragsproblemen bij kinderen. Dit gebeurt volgens een strikt protocol, het 'Pelsser-Voeding en Gedrag-onderzoek' (PVG-onderzoek). Het PVG-onderzoek is een regulier diagnostisch onderzoek en bestaat uit een algemeen deel, een kinderpsychiatrisch deel en een dieetdeel.
Meer informatie: www.adhdenvoeding.nl.
Het Trimbos-instituut beheert voor de geestelijke gezondheidszorg de multidisciplinaire, bewezen effectieve richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van patiënten met psychische stoornissen. Deze richtlijnen zijn ontwikkeld onder auspiciën van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling en het Trimbos-instituut.
Meer informatie: www.trimbos.nl.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is uitgever van het 'Nationaal Kompas Volksgezondheid'. Deze website bevat informatie voor professionals over gezondheid en ziekte, gezondheidsdeterminanten, preventie, zorg en bevolking. Ook ADHD komt aan bod.
Meer informatie: www.rivm.nl/nationaalkompas.
Karakter is een ziekenhuis voor kinder- en jeugdpsychiatrie met locaties in Gelderland en Overijssel. Kinderen en jongeren komen in het ziekenhuis voor diagnostiek en behandeling van onder andere ADHD. Daarnaast is Karakter opleidings- en onderzoeksinstituut voor de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Meer informatie: www.karakter.com.
Het dossier ADHD is online sinds 2008. Laatste actualisatie: september 2012.
Dit dossier wordt op onderdelen regelmatig geactualiseerd. Minimaal één keer per jaar wordt het dossier in zijn geheel op actualiteit gecontroleerd.
Heeft u een opmerking of aanvulling op dit dossier? U kunt deze plaatsen op de pagina Reacties. Na bevestiging van uw kant is deze zichtbaar voor bezoekers.
Heeft u een vraag? Stel een vraag .