![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Interventies in de jeugdsector worden steeds vaker getoetst op hun effectiviteit. Daarbij gaat het om stimuleringsprogramma's, trainingen en behandelingen. Met effectieve interventies kunnen beroepskrachten in het onderwijs, de opvoedingsondersteuning, preventie en jeugdzorg hun activiteiten baseren op kennis over wat het beste werkt in welke situatie.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
'Laat scholen zelf antipestprogramma kiezen'
16 mei 2013
De overheid moet scholen niet voorschrijven welke pestprogramma's zij mogen gebruiken. Daarvoor pleiten de onderwijsorganisaties PO-Raad en VO-raad in een gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer.
'Stem schoolinterventie af op werkzame factoren'
15 mei 2013
Om de effectiviteit van schoolprogramma's ter preventie van overgewicht te vergroten zijn effectieve interventiestrategieën nodig die zijn afgestemd op de verschillende subgroepen en op kennis over werkzame factoren. Dat blijkt uit het onderzoek van Mine Yıldırım Spraakman, waarop ze 16 mei promoveert bij het VU medisch centrum.
Faalangsttraining 'Je bibbers de baas' erkend
26 april 2013
Het cognitief gedragstherapeutisch programma 'Je bibbers de baas' is door de Erkenningscommissie Interventies erkend als theoretisch goed onderbouwd. Je bibbers de baas heeft als doel het verminderen van faalangst bij kinderen uit de bovenbouw van het basisonderwijs.
Negen leefstijlinterventies erkend
24 april 2013
Negen leefstijlinterventies zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. De interventies zijn gericht op gezond eten, meer bewegen, verantwoord alcoholgebruik en de bestrijding van overgewicht.
KOPP-groepen geven effectieve ondersteuning
18 april 2013
KOPP-groepen, die ondersteuning bieden aan kinderen van 8 tot 12 jaar met een ouder met psychische of verslavingsproblemen, zijn effectief. Dat blijkt uit onderzoek van Floor van Santvoort, waarop ze 24 april promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Verbetering vaardigheden bij deelnemer Tools4U
11 april 2013
Deelnemers aan de leerstraf Tools4U laten na afloop verbetering van hun vaardigheden zien. Dat blijkt uit onderzoek van het WODC en de Universiteit van Amsterdam.
Interventie Wiet-Check erkend
6 februari 2013
Wiet-Check, een interventie die problematisch cannabisgebruik wil voorkomen of verminderen, is door de Erkenningscommissie Interventies erkend als theoretisch goed onderbouwd.
Erkenning voor Sta Sterk Training tegen pesten
24 januari 2013
De Sta Sterk Training van de stichting Omgaan met Pesten is door de Erkenningscommissie Interventies erkend als theoretisch goed onderbouwd. De training beoogt de weerbaarheid van slachtoffers van pesten van 8 tot 12 jaar te vergroten, zodat zij effectiever reageren op pestgedrag.
Relatiespel Boys R Us erkend
23 januari 2013
Het interactieve spel Boys R Us is door de Erkenningscommissie Interventies beoordeeld als theoretisch goed onderbouwd. Boys R Us moet jongens van 10 tot 15 jaar bewustmaken van het belang van veilige, gewenste en gelijkwaardige seksuele en relationele contacten.
Erkenning voor interventies gezonde leefstijl
23 januari 2013
Drie jeugdinterventies die zich richten op een gezonde leefstijl zijn erkend als theoretisch goed onderbouwd. Het gaat om sCOOLsport, Sound Effects en De gezonde school en genotmiddelen voor het middelbaar onderwijs.
Hoe krijg je zicht op de effectiviteit van interventies, wat zijn de kenmerken van effectief werken en hoe komen professionals tot effectiever werken? Dit dossier biedt een overzicht van de kennis en ontwikkelingen op het gebied van effectiviteit meten en effectiever werken. Allereerst wordt geschetst binnen welk kader het werken aan grotere effectiviteit plaatsvindt.
Kennis gebruiken en ontwikkelen
In de kinderdagopvang krijgen kinderen een taalstimuleringsprogramma aangeboden. Werkt dit programma? Doen de kinderen het bijvoorbeeld later op school beter? In een Centrum voor Jeugd en Gezin werkt men toe naar een pakket van programma’s voor opvoedingsondersteuning. Waar is aan te zien dat dit pakket de gewenste resultaten oplevert? En heeft de jeugdzorg goede aanpakken in huis voor jeugdigen met gedragsproblemen?
Doelen en kernboodschappen
In de preventie, het onderwijs, de opvoedingsondersteuning en de jeugdzorg moet effectief gewerkt worden. Daar is iedereen het over eens. Met dit dossier wil het Nederlands Jeugdinstituut antwoord geven op de vraag langs welke weg effectief werken in de praktijk (verder) gestalte kan krijgen. Centraal staan daarbij drie kwesties die in de praktijk, bij beleidsmakers en bij wetenschappers veel in de belangstelling staan:
Over welke effectieve interventies kunnen professionals beschikken?
In het dossier staat informatie over databanken en erkenningscommissies. Die laten zien welke veelbelovende en werkzame interventies er ontwikkeld zijn. Daarnaast toont het dossier uitkomsten van zogeheten 'wat werkt-studies'. Deze geven informatie over de principes van effectief handelen in bepaalde werkvelden of bij bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld: wat werkt er over het algemeen bij kinderen met gedragsproblemen?). Professionals beschikken met dit alles over een schat aan informatie.
De 'wat werkt-studies' geven de belangrijkste richtlijnen voor het effectieve handelen. De interventies in de databanken zijn voorbeelden van goede 'verpakkingen' van deze richtlijnen.
Hoe is de effectiviteit van het werk in de praktijk te meten?
Het meten van de effectiviteit helpt duidelijk te maken waar verbetering nodig is: meten is weten. Wetenschappers en praktijkwerkers kunnen veel aan elkaar hebben als ze gebruikmaken van onderzoeksmethoden die goed passen bij de stand van zaken en de behoeften in de praktijk. Daarnaast is het belangrijk dat het een gewoonte wordt om de resultaten van het werk in de praktijk standaard te monitoren. Het dossier laat zien hoe dat gestalte kan krijgen. De algemene boodschap daarin is dat het meten van effecten essentieel is, maar dat er tijd nodig is om een gedegen antwoord op de effectvraag te krijgen.
Het beantwoorden van effectvragen in de praktijk lijkt op het beklimmen van een effectladder: steeds een sport hoger.
Op welke manier is de effectiviteit van de praktijk verder te ontwikkelen?
In dat kader komen professionalisering, methodiekontwikkeling en implementatie aan bod. Het is van belang dat de preventie en jeugdzorg meer met 'evidence-based' interventies gaan werken. Dat allen is echter nog geen garantie voor succes. Het gaat er niet alleen om dat professionals de regels bewezen-effectieve interventies uitvoeren. Die regels passen niet altijd bij praktijksituaties. Praktijkwerkers zijn dan ook niet alleen consumenten van kennis over 'wat werkt', maar ook producenten.
Onze kernboodschap is hier: Het gaat uiteindelijk om de effectief werkende professional of - meer algemeen - effectieve hulp. Een samenspel tussen het ‘top-down’ implementeren van kennis en het ‘bottum-up’ blootleggen en uitwisselen van wat werkt in de praktijk is essentieel.
Het begrip 'effectiviteit' in de sector jeugd en opvoeding gaat meestal over de effectiviteit van interventies, zoals stimuleringsprogramma's, trainingen en behandelingen. In de jeugdgezondheidszorg betekent 'effectiviteit' soms ook de trefzekerheid en waarde van signalerings- en screeningsinstrumenten (als eerste stap bij het stellen van een diagnose).
In dit dossier gaat het vooral over de effectiviteit van stimuleringsprogramma's, trainingen en behandelingen. Daarnaast komt de effectiviteit aan bod van de instellingen die interventies toepassen.
Een interventie is theoretisch goed onderbouwd (ook wel 'veelbelovend' of 'in theorie effectief' genoemd) als het op basis van theorie en onderzoek aannemelijk is dat de interventie werkzaam kan zijn, terwijl dat nog niet afdoende is aangetoond. Wat 'voldoende aangetoond' inhoudt is afhankelijk van het aantal onderzoeken dat is uitgevoerd naar de werkzaamheid, de kwaliteit van die onderzoeken en de mate van verandering die na afloop van de interventie is vastgesteld.
Goede interventies beschikken over een expliciete theoretische onderbouwing. Die onderbouwing bestaat globaal uit twee onderdelen: een analyse van de factoren die bij een probleem of risico een rol spelen, en een aanduiding van de werkzame bestanddelen van de interventie.
Beschermende en risicofactoren
De theorie geeft aan op welk risico of probleem de interventie gericht is en welke factoren bij het kind of de jongere en zijn omgeving daarbij een rol spelen. In de literatuur wordt dit ook wel de 'analyse van beschermende en risicofactoren' genoemd. De theorie maakt duidelijk hoe deze factoren het risico of probleem veroorzaken, in stand houden, verzwaren of juist verzachten. De theorie beschrijft ook de prognose: wat zou er gebeuren als er niet wordt ingegrepen? Daarnaast geeft de theorie aan welke factoren wel en niet beïnvloedbaar zijn.
Beïnvloedbaar
De beïnvloedbare factoren zijn interessant voor de interventie. Zo blijken de opvoederscompetenties van ouders in achterstandssituaties vaak beïnvloedbaar, bijvoorbeeld de mate waarin zij regels stellen en spelletjes doen met hun kinderen. Het bevorderen van die competenties kan de ontwikkeling van de kinderen op school ten goede komen. Van deze beïnvloedbare factoren maken preventieprogramma's voor de bevordering van onderwijskansen dan ook dankbaar gebruik.
Niet beïnvloedbaar
De niet-beïnvloedbare factoren zijn van belang om de kans van slagen van een interventie in te schatten. Zo zijn de normen en waarden van ouders in een achterstandsbuurt ten aanzien van onderwijs vaak moeilijk beïnvloedbaar, maar ze bepalen meestal wel of de ouders meedoen aan activiteiten op school. Programma's om de betrokkenheid van ouders bij de school te vergroten en daarmee de onderwijskansen van hun kinderen te verbeteren, zullen in groepen met een overwegend negatieve waardenoriëntatie geen hoge successcore behalen.
Werkzame bestanddelen
De volgende vraag waar de theorie aandacht aan besteedt is: hoe moet de interventie verlopen om ook echt te werken? In de literatuur wordt in dit verband vaak gesproken over 'wat werkt?'. Uit veel onderzoek is bekend dat het goed is als een interventie in elk geval een aantal algemeen werkzame ingrediënten bevat: de activiteiten zijn duidelijk doelgericht, verlopen planmatig, sluiten goed aan bij de motivatie en verwachtingen van de cliënt, worden uitgevoerd door professionals die goed getraind zijn en een goede ondersteuning krijgen bij de uitvoering van hun werk. Daarnaast zal de theorie aannemelijk moeten maken welke specifieke aanpak aangewezen is.
. Utrecht, NIZW.
. Delft: Eburon.Een interventie is 'bewezen effectief' als met onderzoek voldoende is aangetoond dat de interventie werkzaam is. Men spreekt van 'waarschijnlijk effectief' als er al wel enig onderzoek is, maar de effectiviteit nog niet voldoende is aangetoond. Maar wat is voldoende en wat is 'enig onderzoek'? Voorop staat dat er voor het predikaat 'bewezen effectief' onderzoek beschikbaar moet zijn dat de effecten empirisch aantoont. Verder wegen verschillende zaken mee, zoals:
Hoeveel zekerheid biedt onderzoek over de gevonden effecten?
Bij het beantwoorden van de vraag naar de zekerheid die onderzoek moet geven over effectiviteit spelen verschillende aspecten een rol, zoals: wordt buitenlands onderzoek ook geaccepteerd? Van welke kwaliteit moet het onderzoek zijn? Hoe betrouwbaar moeten de gebruikte meetinstrumenten zijn? Hoeveel onderzoeken moeten de effecten hebben aangetoond? Hoe groot moeten die effecten zijn?
Hoezeer wegen de risico's van de interventie op tegen niet-behandelen?
Medicamenteuze behandeling van angst bij kinderen wordt in het algemeen alleen als verantwoord beschouwd als het bewijs voor de gunstige effecten (en voor het uitblijven van negatieve bijwerkingen) zeer stevig is. De grens voor 'bewezen effectiviteit' dient hier waarschijnlijk op een strenger niveau te worden gelegd dan bij een faalangstcursus voor leerlingen in het voortgezet onderwijs.
De benodigde investering
Bij het toekennen van het predikaat 'effectief' aan een interventie speelt ook de investering een rol. Om precies te zijn: de balans tussen de investering die nodig is voor ontwikkeling, onderzoek en implementatie van de interventie en de cliëntgebonden of maatschappelijke effecten van de investering. Het ligt voor de hand om zware eisen te stellen aan de behandeling van jonge delinquenten en flink te investeren in de ontwikkeling van deze interventies. Een zelfde investering ligt minder voor de hand bij voorlichtingsprogramma's voor ouders over de juiste keuze van boeken voor hun kinderen.
Geen universele criteria
De vaststelling van de normen voor effectiviteit is geen exclusieve aangelegenheid van wetenschappelijk onderzoekers. Het ligt voor de hand dat wetenschappers aangeven wat er nodig is om een acceptabele mate van zekerheid te verkrijgen over de effectiviteit van interventies. Maar bij de afweging van risico's en investeringen wegen ook ethische en economische motieven mee. De ervaring leert dat er geen universele criteria zijn te formuleren voor 'bewezen effectiviteit'; waarschijnlijk verschilt de balans tussen wetenschappelijke, ethische en economische motieven per cultuur en sector. Juist daarom is expliciete formulering van criteria voor effectiviteit belangrijk.
Meer informatie
Meer informatie over de criteria voor effectiviteit vindt u in:
Yperen, Y. van (2007). Integraal erkend. Naar een afstemming erkenning jeugdinterventies
. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Yperen, Y. van & Bommel, M. van (2009). Erkenning interventies: criteria 2009 - 2010. Erkenningscommissie (Jeugd)Interventies Utrecht / Bilthoven: Nederlands Jeugdinstituut / RIVM.
In de sectoren preventie, opvoedingsondersteuning en jeugdzorg bestaat weinig traditie in de berekening van de gemiddelde kosten van een interventie. Verschillende studies laten zien dat belangrijke kostenbepalende factoren van interventies zijn:
Veel beschrijvingen van interventies bevatten onvoldoende specificaties om de kosten goed te kunnen berekenen. De verwachting is dat dit, mede vanwege een toenemende financiële druk op de sector, snel zal veranderen.
Kosteneffectiviteit
Is een Postbus-51-spotje op tv een goedkopere maar net zo effectieve manier om preventie van kindermishandeling te bereiken als een lespakket en training voor docenten op scholen? Om dat te bepalen wordt gekeken naar de kosteneffectiviteit: de verhouding tussen de effecten en de kosten van een interventie. De kosteneffectiviteit wordt uitgedrukt in het aantal euro's dat nodig is om een bepaald effect te bereiken. Op die manier kunnen bijvoorbeeld verschillende programma's voor ontwikkelingsstimulering worden vergeleken wat betreft de kosten die zij met zich meebrengen om 10 procent minder zittenblijvers te realiseren. Het uitvoeren van dit soort berekeningen is in de jeugdsector nog een noviteit.
Kosten en baten
De kosten van de toepassing van een interventie kunnen ook worden afgezet tegen het nalaten van de ingreep. Wat kost het de samenleving bijvoorbeeld als er geen opvoedingsondersteuning geboden wordt aan allochtone gezinnen om hun onderwijskansen te vergroten? En wat kost het de samenleving als die ondersteuning wel wordt geboden - en wat levert dat voor winst op? Dergelijke berekeningen zijn doorgaans erg moeilijk, omdat ze gebaseerd zijn op verschillende scenario's voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ook zijn ze vaak beladen, omdat in de overwegingen om interventies in te zetten ook ethische en politieke motieven een rol spelen. Zo kan het misschien wel goedkoper zijn om interventies achterwege te laten, maar dat wil nog niet zeggen dat niets-doen moreel acceptabel is. Kosten/baten-analyses kunnen daarom in discussies over het nut van interventies een nuchter onderdeel vormen, maar ze kunnen het debat niet vervangen.
De effectiviteit van interventies speelt ook een rol in breder verband: heeft de interventie een goede plek in de behandeling én in het stelsel van jeugdvoorzieningen, zodat er sprake is van een effectief totaalaanbod? Wanneer interventies gecombineerd worden in een behandeling, en zo een 'keten' vormen, dienen ze alle effectief te zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de interventies uitgevoerd worden op het juiste moment door de juiste instelling in de 'keten' van jeugdvoorzieningen. In beide gevallen is de effectiviteit van de afzonderlijke interventies van belang: de keten is zo sterk als zijn zwakste schakel.
Effectieve ketens voor cliënten
Kinderen, jongeren en hun opvoeders die een interventie krijgen zijn, als het goed is, op de juiste manier naar die interventie verwezen en ervoor geïndiceerd. Gezinnen met complexe problemen hebben vaak een combinatie van interventies nodig die gelijktijdig of achtereenvolgens wordt aangeboden. Kinderen met ernstige gedragsproblemen zijn bijvoorbeeld het meest gebaat bij een combinatie van een training voor henzelf en een oudertraining. In veel gevallen is er ook een vorm van nazorg nodig om de resultaten te laten beklijven.
De effectiviteit van een interventie is, kortom, bij dit soort 'ketens' van gecombineerde interventies afhankelijk van de juiste uitvoering van de verschillende onderdelen. Voor dit soort ketens zijn onder de noemer 'zorgprogrammering' in de afgelopen jaren verschillende voorstellen gedaan.
Effectieve ketens van basisvoorzieningen en hulpverlening
Ook een goede opeenvolging van ondersteuning en hulp door verschillende instellingen is belangrijk voor de effectiviteit van interventies. Hierbij gaat het om de 'keten' van pedagogische basisvoorzieningen, het preventieve aanbod en de gespecialiseerde voorzieningen in jeugdzorg en het onderwijs. Centrale vraag daarbij is hoe door een goede schakeling tussen die voorzieningen kinderen en jongeren effectief ondersteund kunnen worden, zodat hun ontwikkeling optimaal verloopt en problemen worden voorkomen of zo snel mogelijk worden verholpen.
Getrapte aanpak
De beroepsopvoeders in pedagogische basisvoorzieningen, zoals kinderleidsters en leerkrachten, kunnen ouders voorlichten en ondersteunen bij de aanpak van veelvoorkomende, 'gewone' gedragsproblemen van hun kinderen. Bij 'gewone problemen' valt te denken aan bijvoorbeeld koppigheid, slaan of pikken van andermans spullen.
Kinderen en opvoeders die geen baat hebben bij dit aanbod, moeten een lichte vorm van hulp kunnen krijgen om de gedragsregulatie alsnog in orde te krijgen. Sommige kinderen en ouders hebben ook daaraan niet genoeg. Zij moeten specialistische hulp hunnen krijgen. Zo'n 'getrapte aanpak' staat ook wel bekend als 'stepped care'. Essentieel is dat elke stap bestaat uit effectieve interventies en daaromheen noodzakelijke ketens. Deze manier van denken is in het stelsel van jeugd en opvoeding nog onderontwikkeld. Een daar waar dit denken heeft postgevat, komt het voor dat het leidt tot het doorschuiven van jeugdigen naar een steeds specialistischer vorm van zorg. Dat is niet de bedoeling. Bij stepped care gaat het erom dat men - wanneer nodig - jeugdigen niet dóórschuift, maar specialisten tijdelijk laat áánschuiven. Uitgangspunt daarbij is dat de gewone leefomgeving van de jeugdige zoveel mogelijk te versterken.
Wraparound care
Het versterken van de gewone leefomgeving van jeugdigen geldt ook voor gezinnen en jeugdigen met complexere problematiek. Zij hebben vaak niet alleen (lichte of gespecialiseerde) jeugdzorg nodig, maar ook bijvoorbeeld volwassenen-ggz, schulphulpverlening, speciale ondersteuning in het onderwijs etcetera. Het concept van de 'Wraparound care' is erop gericht ook hierbij het doorschuiven van kinderen en hun ouders in specialistische ketens te voorkomen. Door een focus op hulp in eigen omgeving, herstel van het gewone leven en een stevig casemanagement organiseert men de hulp in en rondom het gezin.
Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
In: Graas, D., Liefaard, T., Schuengel, C., Slot, W. & Stegge, H. (Red.). De Wet Jeugdzorg in de dagelijkse praktijk (pag. 89-108). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Naast de diverse typen effectiviteit bestaan er nog andere termen die iets zeggen over het effect van een interventie.
Resultaat
De term 'resultaat' geldt als een soort verzamelnaam. Een resultaat omvat bijvoorbeeld de mate van uitval van cliënten, de mate waarin vaardigheden zijn toegenomen, risico's zijn verkleind of problemen zijn afgenomen, de mate waarin doelen zijn gerealiseerd en cliënten tevreden zijn. In het Engels wordt hiervoor wel de term 'outcome' gebruikt.
Verandering
Er is sprake van een 'verandering' als er na de interventie iets is gewijzigd, ongeacht de vraag of dat aan de interventie is toe te schrijven en of de verandering positief of negatief is. Dit heet ook wel 'effectiviteit in ruime zin': de kinderen zijn taalvaardiger geworden, ouders zijn pedagogisch vaardiger, de jongeren laten minder gedragsproblemen zien, hebben minder kans om weer in delictgedrag te vervallen.
Doeltreffend
Een interventie is 'doeltreffend' als er na de interventie de gewenste verandering is opgetreden (in het Engels: 'effectiveness'). Bijvoorbeeld: ouders krijgen een programma om hun kinderen zich beter te laten gedragen. Na het programma zijn de ouders pedagogisch vaardiger, maar het gedrag van de kinderen is er niet beter op geworden. Het programma brengt dan wel verandering te weeg maar is niet doeltreffend.
Werkzaam
Een interventie heet 'werkzaam' als is aangetoond dat de gewenste verandering daadwerkelijk door de interventie is bewerkstelligd (in het Engels aangeduid als 'efficacy').
Voor de bevordering van de effectiviteit van de jeugdsector geldt: effectieve zorg en dienstverlening zijn niet synoniem aan het werken met bewezen effectieve interventies (ook wel 'evidence-based practice' genoemd). Centraal staat altijd het effectief handelen van de professional, en idealiter gebruikt hij bewezen effectieve interventies.
Praktijkkennis
Niet voor elke situatie ligt een bewezen effectieve interventie op de plank. De professional maakt daarom ook gebruik van ervaringskennis en is voor een deel aangewezen op vernieuwing en improvisatie. In die zin is de professional niet alleen consument van kennis over bewezen effectieve interventies, maar ook producent van kennis over succesvolle interventies. Hij kan anderen van die kennis laten profiteren door te laten zien welke aanpak goede resultaten oplevert (ook wel het tonen van 'practice-based evidence' genoemd). In een schema ziet dat er zo uit:

Nuanceringen bij effectiviteit
Andere uitgangspunten bij de bevordering van effectiviteit van interventies zijn samen te vatten in drie principes:
Veel interventies die in de praktijk worden gebruikt zijn niet zonder meer aan te duiden als 'bewezen effectief'. Dat betekent nog niet dat de kwaliteit van die interventies slecht is; het bewijs voor de effectiviteit ontbreekt echter.
Van Yperen en Veerman (2008) hebben een kader opgesteld waarin de effectiviteit van interventies is ingedeeld in een aantal niveaus. Zij stellen voor het begrip 'effectiviteit' en het effectonderzoek te koppelen aan het ontwikkelingsstadium waarin een interventie verkeert. Daarvoor hebben zij de zogenaamde 'effectladder' ontwikkeld.
Niveau 0: werken met impliciete kennis
Op niveau 0 van de effectladder is er sprake van een interventie die 'in de hoofden' van de uitvoerders zit. De praktijkwerkers ondersteunen bijvoorbeeld ouders op een volgens hen methodische manier, maar wat ze precies doen en waarom dat zou werken is voor anderen niet duidelijk op papier gezet. Dit kan een bijzonder effectieve interventie zijn, maar de werkwijze en resultaten zijn voor buitenstaanders niet duidelijk. Dat hindert ook de overdraagbaarheid van de interventie aan vakgenoten.
Niveau 1: goed beschreven interventies
Op niveau 1 van de effectladder is de aard van de interventie nader omschreven en gespecificeerd. De aandacht gaat vooral uit naar het doel van de interventie, de doelgroep, de aanpak en de randvoorwaarden voor de uitvoering. Door deze explicitering is de werkwijze van de interventie te begrijpen, de kans op effectiviteit enigszins in te schatten en de aanpak gemakkelijker overdraagbaar.
Bijvoorbeeld: 'Het programma voor ouders die moeten leren omgaan met hun koppige peuters bestaat uit vijf bijeenkomsten met huiswerkopdrachten: (1) De ontwikkeling en gewone problemen met peuters; (2) Kijken naar gedrag van je kind en jezelf; (3) Aandacht geven aan gewenst gedrag werkt beter; (4) Wat doe je als het echt spaak loopt?; (5) Als je kind ouder wordt.' Deze korte omschrijving laat al zien dat de interventie elementen lijkt te bevatten van bekende effectieve ouderprogramma's voor kinderen met gedragsproblemen.
Niveau 2: interventies met theoretische bewijskracht zijn veelbelovend
Het formuleren van een goede interventietheorie ('program theory') maakt een interventie in theorie effectief of 'veelbelovend'. Interventies in de databank Effectieve Jeugdinterventies op deze website voldoen minstens aan dit niveau. Op niveau 2 van de effectladder gaat het om een aannemelijk verhaal dat de interventie kan werken. Als daarbij gerefereerd wordt aan algemeen aanvaarde en met onderzoek ondersteunde theorieën komt de interventie nog sterker te staan.
Het hierboven genoemde ouderprogramma kan bijvoorbeeld onderbouwd worden door aan te sluiten bij de theorie van de zogenaamde 'coercive patterns' in opvoeden: patronen waarin ouders op steeds negatiever gedrag van hun kind met steeds negatiever opvoedersgedrag reageren, zoals dwang en dreiging. Dat gedrag kan doorbroken worden door ouders een aanpak te leren waarin zij vooral aandacht besteden aan positief gedrag van hun kind. Er is veel onderzoek dat laat zien dat dit werkt.
Niveau 3: interventies met voorlopige bewijskracht
Een goede omschrijving (niveau 1) en onderbouwing (niveau 2) laten het wat en waarom van een interventie zien. Als vastgesteld kan worden dat de geformuleerde doelen of gewenste veranderingen bereikt zijn, en bovendien is vastgesteld dat de interventie ook volgens plan verstrekt is aan de beoogde doelgroep, dan is de bewijsvoering van een effectieve interventie weer een stapje verder gebracht. Om dit allemaal te kunnen constateren moet er gemeten worden.
Het meten vormt de kern van niveau 3 van de effectladder: er zijn cijfers beschikbaar die laten zien dat de doelgroep wordt bereikt, dat de doelen van de interventie worden gerealiseerd, dat er weinig cliënten zijn die voortijdig afhaken, dat de cliënten tevreden zijn. Deze gegevens leveren de eerste indicaties op voor de effectiviteit van de interventie. Immers, als zou blijken dat bij de doelgroep maar een fractie van de doelen wordt gehaald, zouden er maar weinig mensen zijn die de interventie effectief durven noemen. Daar staat tegenover dat als wél bij velen de doelen zijn bereikt, het nog niet zeker is dat dit aan de interventie te danken is. Er kan ook sprake zijn van bijvoorbeeld veelvoorkomend spontaan herstel.
Niveau 4: interventies met causale bewijskracht zijn bewezen effectief
Interventies die voldoende causale bewijskracht hebben zijn 'bewezen effectief' te noemen: de gemeten verbetering is toe te schrijven aan de gebruikte interventie. Dit is het hoogste niveau van effectiviteit, mits de interventie ook op de andere niveaus goed ontwikkeld is. Op niveau 4 van de effectladder is er sprake van een goed omschreven, theoretisch onderbouwde en in de praktijk getoetste aanpak, waarbij bovendien is aangetoond dat de interventie beter is dan 'geen interventie' en een 'andere interventie'. Daarvoor is een vergelijking nodig met een groep die geen hulp heeft ontvangen en een groep die de interventie niet gekregen heeft maar wel een ander aanbod.
Niveaus van onderzoek en bewijskracht
Veerman en Van Yperen hebben de verschillende effectiviteitsniveaus gekoppeld aan soorten onderzoek die daarin een functie kunnen vervullen. De verschillende soorten onderzoek zijn door het Nederlands Jeugdinstituut vertaald naar verschillende niveaus van bewijskracht die de Erkenningscommissie Interventies gebruikt bij de beoordeling van de effectiviteit van interventies: hoe meer bewijskracht, hoe zekerder de uitspraak over de effectiviteit kan worden gedaan. Alles is bij elkaar op een 'effectladder' gezet die aangeeft welke stappen genomen moeten worden om een interventie naar het hoogste niveau te brengen. Een praktische gids voor het werken met deze effectladder en een toelichting op de verschillende soorten onderzoek zijn te vinden in het 'Handboek Zicht op Effectiviteit'.
| Niveau effectladder | Soorten onderzoek | Erkenning | |
|---|---|---|---|
| 4. | Is de interventie werkzaam? |
|
Bewezen effectief of waarschijnlijk effectief afhankelijk van:
|
| 3. | Is de interventie doeltreffend? |
|
|
| 2. | Is de interventie in theorie effectief? |
|
Theoretisch goed onderbouwd |
| 1. | Is de interventie goed beschreven? |
|
|
| 0. | Is de interventie impliciet (black box)? | ||
Sommige niveaus van de effectladder hebben geen equivalent in erkenning van de commissie. Die niveaus moeten worden gezien als belangrijke tussenstappen om tot een erkennning te komen. Bijvoorbeeld, via doelrealisatie-onderzoek komt men erachter of een interventie bij lijkt te dragen aan het bereiken van de doelen van de preventie of zorg. Als dat niet het geval is, heeft het ook geen zin om geavanceerder onderzoek ten behoeve van een erkenning in gang te zetten.
Van effectief in de praktijk naar bewezen effectief
Voor interventies die in de praktijk gebruikt worden maar die niet of nauwelijks geëxpliciteerd, onderbouwd en effectief gebleken zijn betekent de effectladder een opeenvolging van stappen die ondernomen moeten worden om de interventie tot een bewezen effectieve status te brengen. Veerman en Van Yperen hebben handreikingen geformuleerd om van het ene naar het andere niveau te komen. In veel praktijkorganisaties is de effectladder het kader geworden om methodiekontwikkeling en verschillende soorten effectonderzoek in een gefaseerd proces te laten verlopen.
'Effectiviteit van hulp of dienstverlening' is geen geïsoleerd begrip. Effectiviteit moet altijd gezien worden tegen de achtergrond van onder meer het doel van de hulp of dienstverlening, de middelen die ervoor worden ingezet, de cliënten voor wie het bestemd is (en voor wie niet) en de keten van voorzieningen die de hulp of dienst verlenen.
Kwaliteitsmodellen
Verschillende beleidsinitiatieven zijn erop gericht een duidelijk kader te scheppen waarbinnen de effectiviteitsbepaling moet plaatsvinden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van kwaliteit- en managementmodellen die verschillende onderdelen van de kwaliteit van een organisatie onderscheiden en in samenhang brengen. Die modellen spelen een grote rol bij de kwaliteitstoetsing van instellingen: voldoet de instelling aan de gestelde normen in het model, dan is zij gecertificeerd als een goede aanbieder van de hulp of dienst.
Er bestaan verschillende modellen voor kwaliteitsbepaling van hulp en dienstverlening:
Wet- en regelgeving
De Nederlandse wet- en regelgeving vormt het meest basale kader voor de kwaliteit van hulp en dienstverlening. In wetten en algemene maatregelen van bestuur zijn de basisvereisten vastgelegd waaraan aanbieders van zorg en diensten moeten volden. Verschillende inspecties van gemeentelijke en landelijke overheden zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet- en regelgeving.
Kwaliteitskaders NEN en ISO
Ook de kwaliteitskaders van het Nederlands Normalisatieinstituut (NEN) en de International Standard Organisation (ISO) worden in veel modellen gebruikt. Op de websites van deze organisaties, www.nen.nl en www.iso.org, vindt u (internationale) kwaliteitsmanagementsystemen en -normen voor onder meer de gezondheidszorg.
INK-model
Een veelgebruikt kwaliteitsmodel voor non-profitorganisaties is het model van het Instituut Nederlandse Kwaliteit (INK). Opvallend aan het INK-model is dat het een sterk accent legt op de kwaliteit van het resultaat van de hulp. Dat resultaat moet gewaardeerd worden door verschillende partijen: medewerkers, klanten en maatschappij. Verder specificeert het model onderdelen van de organisatie waarmee de resultaten moeten worden gerealiseerd, zoals de kwaliteit van het leiderschap, de medewerkers, het beleid, de materiële voorzieningen, de praktische organisatie en de werkprocessen.
Meer informatie vindt u op www.ink.nl.
HKZ-model
Voor zorginstellingen wordt ook veel gebruikgemaakt van het HKZ-model (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector). Een belangrijk kenmerk van dit kwaliteitsmodel is dat het enkele basisstappen in het zorgproces onderscheidt, zoals intake, uitvoering en evaluatie. Vervolgens worden daaraan kwaliteitsaspecten en –normen gekoppeld.
Meer informatie vindt u op www.hkz.nl.
Certificering
De kwaliteitsmodellen spelen een grote rol bij de certificering van instellingen. Gecertificeerde instellingen moeten klanten en financiers de zekerheid bieden dat hun kwaliteit in een aantal opzichten goed geregeld is. Op internet kunt u uiteenlopende informatie vinden over (HKZ-)certificering:
Nog geen effectmeting
Bij de certificering hoort wel een kanttekening. Veel van de gebruikte kwaliteitsmodellen stellen nog niet als eis dat instellingen de resultaten van hun hulp of dienstverlening via een effectcontrole concreet in beeld brengen. Een gecertificeerde instelling biedt dus nog niet per definitie effectieve diensten of zorg. Om die effectiviteit aan te tonen is het nodig dat er gemeten wordt. Er zijn inmiddels andere ontwikkelingen waarin meer werk gemaakt wordt van effectiviteitsmeting. Daarover vindt u in dit dossier informatie bij prestatie-indicatoren en praktijkonderzoek.
Meer informatie
Ahaus, C.T.B. en F.J. Diepman (1998, 2001), 'Balanced Scorecard & Model Nederlandse Kwaliteit'. Deventer: Kluwer.
Zoest, C. van (2002), 'Kwaliteitszorg voor non-profitorganisaties'. Soest: Nelissen.
Effectief werken en bevordering van de effectiviteit van de hulp of dienstverlening zijn geen zaken van de professional alleen. Verschillende partijen hebben daarin een verantwoordelijkheid:
In de jeugdsector is deze rolverdeling in veel gevallen nog niet geregeld. Daarom zijn er momenteel grootschalige projecten om bijvoorbeeld het meten van de effectiviteit in de sector beter vorm te geven, de professionalisering te bevorderen, de kennis over 'wat werkt' stevig in de sector te verankeren en de invoering van goede interventies te waarborgen.
Het meten van de effectiviteit van interventies is een belangrijke voorwaarde voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Daarom besteedt de jeugdsector steeds meer aandacht aan het meten van effecten. In dit deel van het dossier komen onderwerpen aan bod die daarbij van belang zijn.
Professionele methodieken zijn theoretisch goed onderbouwd en met onderzoek op hun effect getoetst. Voor dergelijk onderzoek zijn verschillende methoden ontwikkeld.
Niet-experimenteel kwaliteitsonderzoek
In een niet-experimenteel kwaliteitsonderzoek staat de vraag centraal wat de kwaliteit is van een interventie, zonder vergelijking met een andere cliënt of groep bij wie geen of een andere interventie is toegepast. Voorbeelden van dergelijk onderzoek zijn: hoe tevreden zijn de cliënten, in welke mate zijn de doelen van de interventie bereikt, in welke mate voldoet de interventie aan kwaliteitsstandaarden, welk percentage van de deelnemers haakt af? In de praktijk wordt dit soort onderzoek vaak uitgevoerd.
Niet-experimenteel veranderingsonderzoek
Een bijzondere vorm van kwaliteitsonderzoek die ook veel in de praktijk wordt toegepast is veranderingsonderzoek. Daarbij worden kenmerken van cliënten voor en na de interventie gemeten. Bij een trainingsprogramma voor kinderen met gedragsstoornissen helpt bijvoorbeeld een gedragsvragenlijst voor de ouders de aanwezige problemen voor en na de interventie vast te stellen. Het verschil tussen de voor- en nameting geeft dan een eerste indicatie van de effectiviteit van de interventie.
Een bijzondere variant hierop is veranderingsonderzoek waarvan de uitkomsten worden vergeleken met een externe norm (ook wel ‘Normgerelateerd veranderingsonderzoek’ of ‘benchmarkstudie’ genoemd). Bijvoorbeeld, de resultaten van het nieuwe trainingsprogramma worden vergeleken met de uitkomsten van experimenteel effectonderzoek bij soortgelijke trainingsprogramma’s die als ‘bewezen effectief’ te boek staan. Dit soort studies kunnen belangrijke eerste aanwijzingen leveren voor de effectiviteit van interventies.
De laatste jaren ontstaan varianten waarbij gezocht wordt naar een verband tussen de uitkomsten in een groep en bijvoorbeeld:
Als een dergelijke studie bedoeld is om vooraf voorspelde verbanden te toetsen, dan spreekt men van het zogeheten ‘Veranderingstheoretisch onderzoek’. Dat kan sterke aanwijzingen opleveren voor de effectiviteit van een interventie, zeker als verschillende studies consistent dezelfde verbanden aantonen.
Casestudies (N=1 onderzoek)
Een aparte vorm van veranderingsonderzoek is de casestudie. Kenmerkend daarbij is dat de toestand van één onderzoeksobject - bijvoorbeeld een kind, opvoeder, leerkracht, school of wijk - op verschillende momenten wordt beschreven: vóór de interventie, tijdens de interventie en wanneer veranderingen optreden. Meestal vinden de metingen meermalen plaats, zodat het verloop van de veranderingen als gevolg van de interventie goed is te zien.
Een variant van deze opzet is de herhaalde casestudie. Daarin toetst de onderzoeker de resultaten uit een eerdere studie door het onderzoek te herhalen bij nieuwe gevallen. Komen daar steeds weer dezelfde resultaten uit, dan is het steeds aannemelijker dat de interventie een rol speelt in de geconstateerde veranderingen. Een herhaalde casestudie kan in dat geval een krachtig bewijs leveren voor de effectiviteit.
(Quasi-)Experimenteel onderzoek
Het hoofdkenmerk van experimenteel effectonderzoek is dat de interventie waar het onderzoek over gaat - de experimentele conditie - wordt vergeleken met een andere interventie of met een groep waarbij geen interventie is toegepast - de controleconditie.
In het ideale geval zijn de proefpersonen willekeurig over de experimentele en de controlegroep verdeeld. Zo'n onderzoek is een RCT: een 'randomized controlled trial' of 'randomized clinical trial'.
In de praktijk van de hulpverlening wordt zelden een RCT uitgevoerd. Vaak krijgen hulpverleners of cliënten een stem bij de verdeling van de proefpersonen over de twee groepen. Ook komt het voor dat groepen uit verschillende instellingen met elkaar vergeleken worden, waarbij bij de ene groep interventie X is toegepast en bij de ander interventie Y. In zulke gevallen is er sprake van quasi-experimenteel onderzoek. Een speciale vorm van quasi-experimenteel onderzoek is het 'matched design', waarbij via een statistische procedure aan elke experimentele casus een zo goed mogelijk gelijkende controle-casus wordt gekoppeld. In het zogeheten 'Project nulmeting' is daarvoor een procedure uitgewerkt. Zie het onderstaande rapport 'Over verandering gesproken'.
Metastudies
Als er verschillende effectonderzoeken naar een interventie zijn verricht, stemmen de resultaten vaak niet precies overeen. De ene studie laat bijvoorbeeld zien dat de interventie in alle opzichten effectief is, terwijl het andere onderzoek uitwijst dat de resultaten op sommige onderdelen gunstig zijn maar op andere niet. Metastudies zetten al dit soort resultaten op een rij. Met speciale procedures en technieken worden de uitkomsten met elkaar vergeleken en worden de factoren onderzocht die eventuele verschillen kunnen verklaren. Zo wordt duidelijk of een interventie over het algemeen wel of niet effectief is.
Welk onderzoek is beter?
Er is de laatste jaren veel discussie over de vraag welke onderzoeksopzet het ultieme bewijs voor effectiviteit levert. Goed effectonderzoek vertoont drie kenmerken:
Het komt zelden voor dat effectstudies aan alle criteria voldoen. Dat pleit voor een goede spreiding van verschillende soorten studies.
Onderzoek en de databank Effectieve Jeugdinterventies
Om in de databank Effectieve Jeugdinterventies opgenomen te worden moet een interventie minstens van de Erkenningscommissie Interventies de kwalificatie hebben ‘Theoretisch goed onderbouwd’. Vervolgens zijn ook de kwalificaties ‘Waarschijnlijk effectief’ of ‘Bewezen-effectief’ te halen. Cliënttevredenheidsstudies, doelrealisatie-onderzoek en veranderingsonderzoek zonder benchmarks helpen de eerste indicaties voor effectiviteit te vinden, maar zijn niet voldoende voor deze kwalificaties. Voorwaarde is dat er sprake is van normgeralateerd veranderingsonderzoek, veranderingstheoretisch onderzoek, N=1-onderzoek of (quasi-) experimenteel onderzoek.
Utrecht / Nijmegen: Nederlands Jeugdinstituut / Praktikon. Wanneer is het effect dat in een onderzoek is aangetoond de moeite waard? Drie factoren zijn belangrijk bij het beantwoorden van die vraag: de statistische significantie, de klinische significantie en de effectgrootte.
Statistische significantie
Tot voor kort werd het effect van een interventie vooral uitgedrukt in een statistisch significant verschil tussen een voor- en een nameting of tussen een nameting in een experimentele en een controlegroep. Een verschil is statistisch significant als de kans klein is dat het door toeval is ontstaan. In een onderzoeksrapport staat bijvoorbeeld dat na de interventie de gemiddelde risicoscore van de interventiegroep 21 punten lager is dan die van de controlegroep en dat dit verschil een significantie heeft van p=0.05. 'P' staat voor 'probability', ofwel waarschijnlijkheid. Bij p=1 is het waarschijnlijk dat het gevonden verschil op toeval berust. Hoe dichter p uitkomt bij 0, hoe groter de kans dat het verschil een gevolg is van de interventie. Onderzoekers gebruiken vaak p=0.05 als grens: als p kleiner is dan 0.05 is het verschil significant.
Een probleem bij deze aanpak is dat grote verschilscores in kleine groepen vaak statistisch niet significant zijn. En bij grote groepen kunnen kleine verschillen weliswaar als significant uit de bus komen, maar praktisch gezien weinig waarde hebben.
Klinische significantie
Omdat de statistische significantie van een verschil niet altijd relevant is, kijken onderzoekers vaak ook naar de klinische significantie. Ze gaan na bij hoeveel cliënt na de interventie het risico is verdwenen, het probleem is opgelost of de situatie weer normaal is. Hoe meer cliënten na een interventie 'genezen' zijn, hoe effectiever de interventie.
Effectgrootte
De laatste jaren rapporteren onderzoekers vaak ook de zogeheten effectgrootte, ofwel 'effectsize' (ES), in hun onderzoeken en metastudies. De effectgrootte is een indexcijfer dat aangeeft in hoeverre het gevonden verschil afwijkt van de waarde 0, waarbij er geen verschil is.
Toepassing effectgrootte
Het indexcijfer voor effectgrootte wordt in het algemeen op twee manieren toegepast:
De verwachting is dat ook in de praktijk van de jeugdzorg de effectgrootte een steeds belangrijkere maatstaf zal worden. Daarom vindt u hier een gedetailleerde uitleg over de effectgrootte.
Overigens zijn voor het beoordelen van een interventie niet alleen de factoren statistische significantie, klinische significantie en effectgrootte belangrijk, maar ook de kosteneffectiviteit. Elders in dit dossier vindt u meer informatie over kosteneffectiviteit.
Cohens 'd'
De bekendste index voor effectgrootte is Cohens 'd'. Deze maat kan zowel een negatieve als een positieve waarde hebben. Bij een positieve waarde wijst de index op een gunstig effect van de interventie, bij een negatieve waarde is het effect averechts. In theorie kan het indexcijfer elke waarde aannemen, maar meestal schommelt 'd' tussen -2.0 en +2.0. De index leidt geregeld tot misverstanden. Zo is het de vraag hoe een effectgrootte van bijvoorbeeld .40 geïnterpreteerd moet worden. Is dat wel of geen goed resultaat? Onderstaand schema, gebaseerd op een publicatie van Cohen, biedt vuistregels om het indexcijfer te interpreteren.
| een 'd' tussen | wijst op |
|---|---|
| 1.3 en hoger | een zeer groot effect |
| .80 en 1.29 | een groot effect |
| .50 en .79 | een middelgroot effect |
| .20 en .49 | een klein effect |
| -.19 en .19 | geen of een verwaarloosbaar effect |
| -.20 en -.49 | een klein negatief effect |
| et cetera | et cetera |
De vraag wat een effectgrootte van .40 betekent, is nu eenvoudig te beantwoorden: het is een klein effect.
Beter of slechter af
Onderzoekers vertalen de effectgrootte 'd' nogal eens in het percentage niet-behandelde cliënten dat beter of slechter af is dan de gemiddelde behandelde cliënt. In een onderzoeksrapport staat bijvoorbeeld: door de interventie is het gemiddelde behandelde kind beter af dan 66 procent van de niet-behandelde kinderen. Dat lijkt een goed resultaat, maar schijn bedriegt. Voor een gemiddeld persoon geldt namelijk in elke situatie dat 50 procent van de anderen slechter af is en 50 procent beter af - daarom heet zo iemand ook 'gemiddeld'. Die regel gaat ook op als een interventie niet werkt: dan is het gemiddelde behandelde kind beter af dan 50 procent van de niet-behandelde kinderen.
Naarmate een interventie effectiever is, zal de gemiddelde persoon die de interventie krijgt beter af zijn dan een steeds groter percentage personen die de interventie niet krijgen. Hoe effectiever, hoe hoger de gemiddelde cliënt boven die 50-procent-scheidslijn uitkomt. Alan Carr (2000) heeft uitgerekend welke percentages horen bij welke effectgrootten. In onderstaande tabel is dat vertaald naar een aantal vuistregels.
| Bij een 'd' tussen | is het effect | en is de cliënt in het algemeen beter af dan … procent van de cliënten zonder interventie |
|---|---|---|
| 1.3 en hoger | zeer groot | ± 90 % of meer |
| .80 en 1.29 | groot | ± 80-90 % |
| .50 en .79 | middelgroot | ± 70-80 % |
| .20 en .49 | klein | ± 60-70 % |
| -.19 en .19 | verwaarloosbaar | ± 40-60 % |
| -.20 en -.49 | klein negatief | ± 30-40 % |
| et cetera | et cetera | et cetera |
Als een onderzoeker rapporteert dat door de interventie het gemiddelde behandelde kind beter af is dan 66 procent van de niet-behandelde kinderen gaat het dus om een klein effect.
Groot is goed?
Een middelgrote tot zeer grote 'd' kan veel indruk maken. Maar dat wil nog niet zeggen dat de interventie een voldoende klinische significantie heeft, ofwel dat ze bij veel cliënten tot 'genezing' leidt. Een mooi voorbeeld daarvan zijn enkele vormen van intensieve pedagogische thuishulp. Onderzoek laat zien dat het effect op de gedragsproblemen bij kinderen uitkomt boven d = .50. Bij nadere beschouwing blijkt dat de gedragsproblemen bij veel kinderen bij het begin van de hulpverlening extreem ernstig waren en bij afsluiting van de hulp nog 'slechts' ernstig. De hulp levert dus wel resultaat op, maar nog niet genoeg.
Klein maar fijn?
Daar staat tegenover dat kleine effecten niet per definitie waardeloos zijn. Zo kan een klein resultaat waardevol zijn bij risico's of problemen die zich moeilijk laten aanpakken. Ook de mate waarin een interventie leed of ellende kan voorkomen, kan een reden zijn dat een klein effect toch belangrijk is. Een effectgrootte van .40 voor een interventie ter voorkoming van kindermishandeling betekent dat een aantal kinderen ernstig leed is bespaard.
De ene effectgrootte is de andere niet
De Cohen's d is niet de enige index die wordt gebruikt. Er bestaan verschillende formules voor de berekening van de effectgrootte. Die kunnen sterk verschillende uitkomsten laten zien. Er is dus voorzichtigheid geboden bij de vergelijking van effectsizes die in verschillende onderzoeken worden genoemd. Dat geldt vooral als de effectsize is berekend op alleen een voor- en nameting (zonder controlegroep). Onderzoek laat zien dat de hoogte van de effectsize dan sterk afhankelijk is van de score op de voormeting: wijst deze op weinig problematiek, dan zal de effectsize laag zijn, wijst deze op veel problematiek, dan is over het algemeen de effectsize een stuk hoger (zie o.a. het hieronder genoemde rapport 'Over verandering gesproken' van het zogeheten 'Project nulmeting').
Utrecht / Nijmegen: Nederlands Jeugdinstituut / Praktikon.Een prestatie-indicator is een meetlat die laat zien in welke mate een prestatie wordt geleverd of een vastgesteld doel wordt gehaald. Het is gereedschap om een idee te krijgen van de kwaliteit van de zorg. Voorbeelden van prestatie-indicatoren zijn:
Het werken met prestatie-indicatoren is in ziekenhuizen heel bekend. Er zijn websites die de mogelijkheid bieden om ziekenhuizen met elkaar te vergelijken aan de hand van indicatoren, bijvoorbeeld www.kiesbeter.nl. In de jeugdsector groeit momenteel het gebruik van prestatie-indicatoren, getuige initiatieven in:
Valkuilen
Prestatie-indicatoren verzinnen om de effectiviteit van de zorg en dienstverlening te meten is niet moeilijk. Goed omgaan met prestatie-indicatoren des te meer. Waarschuwingen zijn er genoeg:
Zinvolle informatie
Aandacht voor verstandig gebruik van prestatie-indicatoren is dus geen overbodige luxe. Een belangrijk uitgangspunt is dat prestatie-indicatoren een zinvolle betekenis moeten hebben. Een bekend hulpmiddel om dat uitgangspunt te realiseren is de 'balanced scorecard' (Ahaus en Diepman, 1998). Die beschrijft hoe het gebruik van prestatie-indicatoren kan bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van organisaties. Vrij vertaald en ingevuld voor de jeugdsector komt dat hierop neer:
De kunst is dus prestatie-indicatoren te formuleren die duidelijk maken of een instelling goed werk levert én die betrekking hebben op zaken waarbij voor iedereen duidelijk is wie de verantwoordelijkheid en de bevoegdheden heeft om verbeteringen tot stand te brengen als dat nodig blijkt. Wie een prestatie-indicator wil verzinnen moet dan ook twee vragen ondubbelzinnig kunnen beantwoorden:
. Utrecht, Universiteit Utrecht/NIZW Jeugd.
. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. Wetenschappelijk onderzoek is de bekendste manier om de effectiviteit van interventies te meten. Elders in dit dossier vindt u informatie over de ZonMw-programma's die dat onderzoek stimuleren en financieren.
Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland
Een collectief van organisaties in de jeugdzorg heeft een vorm van effectonderzoek ontwikkeld die aansluit bij het dagelijks werk in de jeugdzorg. Dat onderzoek wordt gestuurd door vragen die belangrijk zijn voor de praktijk van de zorg. Kenmerk van dat praktijkgestuurde effectonderzoek is dat zowel individuele beroepskrachten als beleidsmakers en wetenschappers direct profijt hebben van de verzamelde gegevens.
Het collectief is bekend onder de naam 'Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland' - SEJN, in de wandelgangen 'het Sein' genoemd.
Elders op deze site treft u meer informatie aan over SEJN.
De effectiviteit van het werk in de jeugdsector verbetert niet vanzelf. Die verbetering vereist verdere professionalisering van beroepskachten, verheldering van de methodieken die ze gebruiken, en verdere ontwikkeling, invoering en borging van die methodieken. Daarvoor zijn uiteenlopende acties in gang gezet, zoals het actieprogramma 'Professionalisering in de jeugdzorg', ZonMw-programma's voor onderzoek en implementatie van effectieve programma's, en initiatieven die moeten leiden tot een borging van de kennis in het veld.
Wil de jeugdsector zijn kwaliteit verbeteren, dan moeten de kennis, de rol en de positie van de beroepskracht versterkt worden. Sommige deelsectoren werken daar al aan.
Voor- en vroegschoolse educatie
In de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) draagt vooral het project 'VVersterk' bij aan de professionalisering. VVersterk wordt gecoördineerd door onderzoeks- en adviesbureau Sardes en biedt duizenden leidsters in peuterspeelzalen en de kinderopvang de mogelijkheid een introductie- of verdiepingscursus te volgen in VVE. Ook komen er VVE-modules voor studenten van pabo's en regionale opleidingscentra. Meer informatie vindt u op www.vversterk.nl.
Jeugdwelzijnswerk
Gemeenten verwachten in toenemende mate dat kinder- en jongerenwerkers een bijdrage leveren aan het oplossen van ingewikkelde maatschappelijke problemen. Kinder- en jongerenwerkers zelf hebben de ambitie om kinderen en jongeren te begeleiden en te helpen. Het is echter de vraag of de beroepskrachten al voldoende zijn toegerust voor deze opdracht.
Bevordering van de professionalisering van jongerenwerkers
De mate van professionalisering van het jongerenwerk is laag, gemeten op de vijf dimensies van de Amerikaanse socioloog Eliot Freidson: er is nog onvoldoende 'body of knowledge' (geheel van systematisch geordende en samenhangende kennis en methodieken, instrumenten en technieken); nog nog onvoldoende controle van de arbeidsmarkt, de arbeidstaken en de opleiding en training voor jongerenwerkers. Daarnaast is de beroepsideologie nog onvoldoende vastgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van een beroepscode.
Wel bestaan er inmiddels diverse projecten die de professionalisering van jongerenwerkers moeten bevorderen.
Verder is sinds twee jaar de Beroepsvereniging Jongerenwerk actief (BV Jong); meer informatie daarover vindt u op www.jongerenwerker.nl.
Jeugdgezondheidszorg
In de jeugdgezondheidszorg is hard gewerkt aan de richtlijn- en standaardontwikkeling door en voor beroepskrachten. Dat past in het streven gebruik te maken van wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor de uitvoering van het uniforme deel van het Basistakenpakket JGZ. De notitie 'Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg' van de Richtlijnadviescommissie vormt daartoe de opmaat. De richtlijnen voor de jeugdgezondheidszorg vindt u op de site van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.
De beroepsverenigingen Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) hameren voortdurend op het professionaliseringsbeleid voor de jeugdgezondheidszorg. Vanuit de koepels is met steun van ZonMw de laatste jaren het kwaliteitsproject 'Beter voorkomen' uitgevoerd, dat gericht is versterking van de 'evidence based' kwaliteit van de jeugdgezondheidszorg.
Jeugdzorg
In de jeugdzorg is een uitgebreid actieprogramma opgezet voor de verdere professionalisering van beroepskrachten. Het actieprogramma werkt onder meer aan de versterking van de beroepsverenigingen, de verbetering van de mogelijkheden voor scholing en bijscholing, en de invoering van tuchtrecht. Meer informatie vindt u op deze site in het dossier Professionalisering in de jeugdzorg.
Interventies worden gekenmerkt door een methodiek: een werkwijze volgens een bepaald systeem, die daardoor inzichtelijk en overdraagbaar is. Naast de methodiek zijn ook het doel, de doelgroep en de inbedding in het stelsel van interventies kenmerkend.
Niet elke interventie is gebaseerd op een methodiek. Soms bestaat een interventie uit een werkwijze die weinig systematisch is. Maar om het predicaat 'in theorie effectief' te krijgen, moet een interventie in ieder geval beschikken over een goed beschreven methodiek. In dat geval is er dus een grote overlap tussen de begrippen 'methodiek' en 'interventie'.
Doel van de methodiek
In de eerste plaats moet helder zijn wat de methodiek beoogt. Bijvoorbeeld: de methodiek heeft als doel het verminderen van de taalachterstand van allochtone leerlingen in het basisonderwijs en de gevolgen daarvan, zoals zittenblijven en lage Cito-scores.
Afbakening doelgroep en domein
Daarnaast moet in de methodiek aangegeven zijn voor welk risico of probleem en voor welke doelgroep zij bestemd is. Daarbij is het gebruikelijk de indicaties voor toepassing te vermelden: de aanwijzingen dat de interventie passend is voor deze doelgroep, in deze situatie of over op dit tijdstip. Bijvoorbeeld: de methodiek is bestemd voor allochtone kinderen met een taalachterstand aan het begin van de basisschool.
Ook kunnen er contra-indicaties worden geformuleerd, die aangeven wanneer de aanpak niet geschikt is. Bijvoorbeeld: de methodiek is niet bestemd voor kinderen met een verstandelijke handicap, een gehoorstoornis of een aan autisme verwante stoornis.
Minder gebruikelijk - maar wel van belang - is om bij de afbakening aan te geven welke omvang de doelgroep ongeveer heeft, hoe groot de vraag naar de methodiek waarschijnlijk is en hoe de methodiek de doelgroep kan bereiken.
Werkwijze
Een methodiek bevat verder een beschrijving van de werkwijze. Daarmee wordt duidelijk welke acties ondernomen moeten worden om het doel te bereiken. Vaak staat in die beschrijving een overzicht van de in te zetten 'middelen', zoals leerkrachten, ouders en speciaal leesmateriaal. Ook bevat de beschrijving meestal een stappenplan dat vertelt in welke volgorde en met welke frequentie, duur en intensiteit de activiteiten plaatsvinden. Gewoonlijk gaat bij methodiekontwikkeling de meeste aandacht uit naar de beschrijving van de middelen en het stappenplan.
Onderbouwing
De methodiek is meer dan alleen een spoorboekje. Zij maakt ook duidelijk waarom gekozen is voor de beschreven activiteiten om het doel te bereiken. Drie soorten argumenten spelen daarbij een rol:
Positie ten opzichte van andere methodieken
Er bestaan veel ondersteunings- en behandelvormen voor kinderen, jongeren en hun opvoeders. Daarom is het goed om bij een methodiek aan te geven wat zij gemeenschappelijk heeft met andere, bekende werkwijzen. Dat verhoogt de herkenbaarheid en maakt duidelijk welke theoretische, empirische of economische argumenten de methodiek deelt met andere ondersteunings- en behandelvormen. Tegelijk moet aannemelijk zijn waarom de methodiek bestaansrecht heeft naast andere werkwijzen. Wat voor nieuws of aparts biedt deze aanpak?
Een goede onderbouwing onderscheidt het handelen van de professional van dat van de leek. In de praktijk worden veel interventies echter uitgevoerd zonder goede onderbouwing. Methodiekontwikkeling moet ertoe bijdragen dat dat verbetert.
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een handreiking gemaakt voor het ontwikkelen van een methodiekhandleiding. Welke onderwerpen moeten beschreven worden? Hoe concreet wordt de aanpak uitgewerkt en hoe geef je vorm aan het proces van beschrijven? Deze handreiking geeft praktische tips en is onder meer bedoeld voor stafmedewerkers, gedragswetenschappers en kwaliteitsfunctionarissen die belast zijn met het beschrijven van het methodisch handelen.
'Beschrijven van methodisch handelen: handreiking om te komen tot een overdraagbare interventie (2011)' 
Een handboek maakt een succesvolle interventie toepasbaar voor collega's en draagt bij aan de verantwoording van het werk. Maar hoe schrijf je een goed handboek? Ter ondersteuning is een schrijfwijzer opgesteld, een publicatie van het samenwerkingsverband Effectieve interventies. De schrijfwijzer is geschikt voor iedereen die een handboek over een interventie gaat schrijven.
Hoe schrijf ik een handboek? (2012) 
Ondersteuning
Het Samenwerkingsverband Effectieve Jeugdzorg Nederland (SEJN) biedt ondersteuningspakketten om de beschrijving en onderbouwing van interventies op orde te brengen. Elders op deze site vindt u meer informatie over deze ondersteuningspakketten.
. Utrecht, Nederlands Jeugdinstituut.
. Utrecht, NIZW.
Het ontwikkelen van een werkwijze, de afbakening van doel en doelgroep en het onderzoek naar effecten en bruikbaarheid wordt vaak aangeduid met de verzamelnaam 'methodiekontwikkeling'. Er bestaan twee manieren van methodiekontwikkeling: startend vanuit een theorie en startend vanuit de praktijk. Doorgaans wordt een interventie echter onderbouwd door een combinatie van theorie en praktijkervaring.
Vanuit de theorie
De methodiekontwikkeling 'evidence-based practice' gaat uit van een theorie, bijvoorbeeld de sociaal-lerentheorie, waaruit een handelswijze wordt afgeleid. Interventies kunnen op basis daarvan in wetenschappelijke centra of in kleine proefprojecten in de praktijk worden ontwikkeld, op effectiviteit worden onderzocht en vervolgens - bij gebleken kwaliteit - breder worden ingevoerd. De interventie geldt dan als 'bewezen effectief'.
Vanuit de praktijk
Bij de methodiekontwikkeling 'practice-based evidence' worden in de praktijk gegroeide en soms op brede schaal toegepaste werkwijzen verder uitgewerkt en onderzocht op effectiviteit. Zo worden 'practice based' - in de praktijk gewortelde - interventies stapsgewijs verder ontwikkeld, van een niveau dat nog niet voldoet aan allerlei basisvereisten, via een 'veelbelovend' niveau, naar de status van 'bewezen effectieve' interventies.
Wisselwerking
De twee routes van 'evidence-based practice' en 'practice-based evidence' sluiten elkaar niet uit. In de praktijk gewortelde interventies kunnen zo ver ontwikkeld zijn dat ze een bewezen effectief karakter krijgen en als zodanig verder worden verspreid. Ervaringen met bewezen effectieve programma's kunnen leiden tot aanscherpingen van die programma's in de praktijk, die de effectiviteit verder ten goede kunnen komen. Als die verbeterde effectiviteit door nieuw onderzoek wordt bevestigd, is er feitelijk opnieuw sprake van een bewezen effectief programma. De onderstaande figuur geeft dat proces weer.

Voor de jeugdzorg is zowel de invoering van bewezen effectieve interventies belangrijk als de onderbouwing en empirische toetsing van in de praktijk gewortelde programma's. Naast de methodiekontwikkeling staan daarbij twee andere onderwerpen op de agenda:
Kwaliteitssystemen
Bij methodiekontwikkeling telt ten slotte hoe ervoor gezorgd wordt dat beroepskrachten de methodiek goed toepassen. Is er bijvoorbeeld een training? Wie mag die training geven? Wanneer heeft iemand de training met succes gevolgd? Hoe wordt er daarna voor gezorgd dat de professional zijn werk goed blijft doen? Zijn er bijvoorbeeld visitaties of terugkomdagen? Registreert de hulpverlener bij wie de aanpak wordt toegepast en met welk resultaat?
. Utrecht, NIZW.In de internationale literatuur breekt steeds meer het inzicht door dat de implementatie - de overdracht en invoering - van effectieve interventies specifieke aandacht vereist. Het is voor beroepskrachten moeilijk om 'evidence based' te werken. Dat komt door de wijze waarop veel interventies ontwikkeld worden. Protocollen en richtlijnen worden vaak in kleine kring opgesteld. Als de effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld, kan de interventie breed worden ingevoerd. Maar dat is nog niet zo simpel. Verschillende factoren spelen daarbij een rol.
Gebruik van verschillende strategieën
Het is belangrijk om beroepskrachten te betrekken bij de ontwikkeling van effectieve interventies. Daarnaast is het goed om uiteenlopende 'implementatiestrategieën' te hanteren. Een betere verspreiding van kennis over effectieve interventies is noodzakelijk maar beslist niet voldoende. Wat dat betreft kan de jeugdzorg leren van de gezondheidszorg, waar veel onderzoek is gedaan naar succesvolle strategieën. Daaruit blijkt dat het, in combinatie met kennisoverdracht, goed is om:
Interventies moeten uitvoerbaar zijn
Het heeft weinig zin een effectieve interventie te ontwikkelen die zo omslachtig of duur is dat ze weinig kans maakt om in de praktijk overgenomen te worden. Daarom moet duidelijk zijn welke voorwaarden gelden voor de uitvoering van een interventie en welke kosten ermee gemoeid zijn. In de databank Effectieve Jeugdinterventies wordt per interventie nagegaan wat hierover bekend is. Maar in de praktijk ontbreekt die informatie vaak.
Bedreigingen van de uitvoering
Een ingevoerde interventie overleeft de tijd meestal niet ongeschonden. Twee mechanismen tasten de uitvoering voortdurend aan:
De noodzaak van een kwaliteitssysteem
Een interventie heeft een kwaliteitssysteem nodig dat ervoor zorgt dat de activiteiten naar behoren worden uitgevoerd. Vaak bestaat dat systeem uit het afgeven van licenties aan instellingen. Zo'n licentie bewaakt zowel de training van de uitvoerders als de registratiesystemen van de doelen, de doelgroep, de uitgevoerde activiteiten en de resultaten.
Het belang van een goede invoering
In effectonderzoek is het belangrijk na te gaan of de onderzochte interventie op de juiste manier is ingevoerd en volgens de bedoelingen is uitgevoerd - de zogenaamde implementatiegetrouwheid. Wordt de implementatiegetrouwheid niet vastgesteld, dan is het onduidelijk of effecten toegeschreven kunnen worden aan de oorspronkelijk ontworpen aanpak. Als bijvoorbeeld de resultaten van een taalstimuleringsprogramma tegenvallen, moet duidelijk zijn of het programma wel volgens de regels is uitgevoerd. Is de uitvoering niet goed, dan kan het voorbarig zijn om de interventie als 'niet effectief' terzijde te schuiven. Ondanks het belang ervan, wordt in effectonderzoeken de implementatiegetrouwheid nog weinig gemeten.
Infrastructuur
De implementatie en borging van goede interventies vereist dat er een 'eigenaar' is die zich verantwoordelijk stelt voor de juiste implementatie, de noodzakelijke ondersteuning, de kwaliteitscontrole, het stimuleren van onderzoek en het doorvoeren van noodzakelijke aanpassingen. In het stelsel van jeugdvoorzieningen is die infrastructuur nog niet in orde. Meer informatie over dat onderwerp is te vinden in het rapport Ontwikkeling en borging jeugdinterventies
. Dit rapport is een resultaat van de kenniskring Ontwikkeling en borging jeugdinterventies georganiseerd door het Nederlands Jeugdinstituut in de periode steptember tot en met dezecember 2007. Meer informatie kunt u hier vinden.
In 2008 is een vervolg gegeven aan het thema borging in de kenniskring Onderhoud en borging van interventies in de jeugdzorg. In 2009 is deze kenniskring afgesloten met het rapport Borgen van interventies: onderhouden en monitoren van de uitvoering
. Het is een handreiking met tips voor het onderhouden en borgen van interventies op organisatie- en uitvoerend niveau. Daarbij worden onderhoud en monitoring in samenhang met elkaar gezien en niet als losse elementen. Meer informatie over de kenniskring vindt u hier.
Utrecht: Universiteit Utrecht.
. Utrecht, NIZW.
. Utrecht, Nederlands Jeugdinstituut.ZonMw financiert gezondheidsonderzoek én stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis – om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw investeert veel in de gezondheid en het welzijn van de jeugd om de kansen op een gezonde ontwikkeling te vergroten. De website www.zonmw.nl/jeugd biedt een overzicht van de activiteiten van de jeugdprogramma's van ZonMw.
De belangrijkste programma's die onderzoek stimuleren naar effectiviteit van jeugdinterventies zijn:
De kennis over effectieve interventies neemt snel toe. Er bestaan verschillende manieren om toegang te krijgen tot deze kennis. In databanken vindt u de interventies die onderzocht zijn op effectiviteit. In 'erkenningstrajecten' beoordelen onafhankelijke commissies welke interventies - gezien het onderzoek - effectief genoemd kunnen worden. Overzichtsstudies concentreren zich vaak op de vraag welke interventies er zijn voor welke doelgroep of werksoort en wat hun effectiviteit is. Uit deze studies worden de werkzame principes van effectieve interventies gedestilleerd. Tot slot zijn er richtlijnen waarin de afspraken staan over hoe een professional het beste te werk kan gaan.
In de jeugdsector worden interventies tegenwoordig door onafhankelijke commissies op effectiviteit beoordeeld. Deze ontwikkeling hangt samen met het toenemend streven naar meer 'bewezen effectief' werken.
Toetsing leidt ertoe dat het kaf van het koren wordt gescheiden. Interventies die slecht zijn onderbouwd, of volgens onderzoek zelfs averechts kunnen uitpakken, worden niet meer gebruikt. In plaats daarvan worden interventies gebruikt die goed zijn onderbouwd en waarvan eventueel onderzoek laat zien dat er goede resultaten mee worden geboekt.
Daarnaast stimuleert toetsing een goede onderbouwing van interventies én onderzoek naar de effectiviteit. Toetsing zorgt voor een soort 'opwaartse druk' in de jeugdsector: om te voorkomen dat een interventie wordt afgekeurd wordt er meer geïnvesteerd in theorievorming en onderzoek. Dat komt uiteindelijk de kwaliteitsontwikkeling in de hele sector ten goede.
Voor de beoordeling van de effectiviteit van interventies in de jeugdsector bestaan er op dit moment twee onafhankelijke commissies.
Erkenningscommissie Interventies
De Erkenningscommissie Interventies is een onafhankelijke, landelijke commissie die interventies beoordeelt op kwaliteit en effectiviteit. Erkende interventies worden opgenomen in een van de databanken van Nederlands Jeugdinstituut, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid en RIVM Centrum Gezond Leven. Elders op deze site vindt u meer informatie over de Erkenningscommissie Interventies.
Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie
De Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie beoordeelt of gedragsinterventies kunnen leiden tot preventie of vermindering van recidive bij delinquente jongeren. De commissie adviseert ook over de effectiviteit van gedragsinterventies aan de minister van Justitie. Op de site van de rijksoverheid vindt u meer informatie over de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie.
Het Nederlands Jeugdinstituut beheert databanken en overzichten met informatie over erkende jeugdinterventies, werkzame principes, onderzoek, instrumenten en richtlijnen:
Databank Effectieve Jeugdinterventies
De databank Effectieve Jeugdinterventies bevat informatie over programma's voor ondersteuning, preventie, behandeling en sancties. De interventies zijn gericht op kinderen, jongeren en hun opvoeders en op z'n minst theoretisch goed onderbouwd.
Wat werkt?
Overzichten van werkzame ingrediënten die maken dat interventies effectief zijn bij specifieke problemen, werkwijzen of doelgroepen.
Databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding
De databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding bevat zowel informatie over lopend onderzoek als korte beschrijvingen van afgerond onderzoek naar jeugd en opvoeding, waaronder onderzoek naar de effectiviteit van interventies.
Databank Instrumenten en Richtlijnen
De databank Instrumenten en Richtlijnen bevat onder meer informatie over opgestelde richtlijnen voor effectief werken in de jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg.
Richtlijnen zijn aanwijzingen voor het handelen van een beroepskracht. Meestal komen richtlijnen tot stand door een combinatie van onderzoek naar de werkzame principes van effectieve interventies en overeenstemming over de gewenste aanpak. Een richtlijn is dus niet hetzelfde als een wetenschappelijk overzicht van de werkzame principes voor een bepaalde doelgroep of werksoort; een richtlijn bevat ook opvattingen over hoe te handelen. Om daarover overeenstemming te bereiken wordt doorgaans overlegd tussen wetenschappers, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties.
Voor het opstellen van richtlijnen bestaan voorschriften die aangeven hoe de richtlijnen tot stand moeten komen en wat de goede kwaliteit van een richtlijn kenmerkt.
Protocollen
Protocollen zijn voorschriften waarin stap voor stap de te plegen handelingen van de professional beschreven worden. Ze zijn in die zin veel specifieker en dwingender dan een richtlijn. Een ander verschil is dat een protocol niet noodzakelijk is gebaseerd op onderzoek.
Methodieken en handreikingen
Aanwijzingen voor het handelen van professionals komen we ook tegen onder de naam 'methodiek' of 'handreiking'. Vaak zijn dit aanbevelingen die niet tot stand zijn gekomen volgens de voorschriften voor het opstellen van richtlijnen. Bij het ontbreken van richtlijnen kunnen deze aanbevelingen voor professionals niettemin belangrijke informatie bevatten.
Richtlijnontwikkeling
In de jeugdsector wordt momenteel flink gewerkt aan de opbouw van richtlijnen. Elders op deze site vindt u daarover meer informatie:
Ook kunt u kijken op de websites van andere organisaties:
Er zijn op dit moment geen evenementen over het thema bij het Nederlands Jeugdinstituut bekend. Andere congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.