![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Jeugddelinquentie betekent dat kinderen of jongeren de wet overtreden. Zij riskeren hiermee een boete of lopen de kans dat ze veroordeeld worden tot een straf. Dit dossier geeft een overzicht van de verschillende wetten en beleidsmaatregelen om jeugdcriminaliteit terug te dringen. Daarnaast geeft het een overzicht van behandelingen die de kans op herhaling verkleinen.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over delinquentie en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Voormalig bewoner JJI heeft meer problemen
23 mei 2013
Volwassenen die zeventien jaar geleden een tijd verbleven in een justitiële jeugdinrichting hebben meer problemen op het gebied van gezondheid, relaties, werk en huisvesting dan de doorsnee-Nederlander. Dat blijkt uit onderzoek van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en de Vrije Universiteit Amsterdam.
Uitvoering nieuwe Halt-afdoening kan beter
22 mei 2013
De vernieuwde Halt-afdoening wordt over het algemeen goed uitgevoerd, maar de selectie van de doelgroep, het maken van excuses en het herstellen van schade kan beter. Dat blijkt uit een procesevaluatie door de DSP-groep.
Kwart jongeren slachtoffer van criminaliteit
8 mei 2013
Ruim een kwart van de jongeren van 15 tot 25 jaar was in 2012 slachtoffer van criminaliteit, merendeels vermogensdelicten. Dat blijkt uit een overzicht van criminaliteitscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Aantal Halt-verwijzingen neemt toe
17 april 2013
Het aantal verwijzingen naar Halt steeg in 2012 met 6,5 procent naar een totaal van 17.606 verwezen jongeren. Sinds 2008 nam het aantal verwijzingen juist af. Dat maakte de Stichting Halt bekend in haar jaarbericht over 2012.
Aantal problematische jeugdgroepen bijna gehalveerd
16 april 2013
Het aantal problematische jeugdgroepen in Nederland is significant afgenomen van 1.760 in 2009 naar 976 in 2012, een daling van 46 procent. Dat maakte minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie op 15 april bekend.
Verbetering vaardigheden bij deelnemer Tools4U
11 april 2013
Deelnemers aan de leerstraf Tools4U laten na afloop verbetering van hun vaardigheden zien. Dat blijkt uit onderzoek van het WODC en de Universiteit van Amsterdam.
Rotterdamse wijkschool voor jongeren werkt averechts
8 april 2013
Rotterdamse wijkscholen voor jongeren van 16 tot 23 jaar met complexe problemen helpen niet. Dat blijkt uit een evaluatiestudie van het Centraal Planbureau (CPB).
Cannabisgebruik is oorzaak en gevolg van problemen
27 maart 2013
Pubers met externaliserende gedragsproblemen gebruiken enkele jaren later vaker cannabis dan leeftijdgenoten. Bij jongeren die kwetsbaar zijn voor psychosen is cannabisgebruik zowel een oorzaak als een gevolg van psychische problemen. Dat concludeert pedagoog Merel Griffith-Lendering, die op 28 maart promoveert aan de Universiteit Leiden.
Teeven bezuinigt op justitiële jeugdinrichtingen
26 maart 2013
Justitiële jeugdinrichtingen die buiten gebruik zijn gesteld, worden definitief afgestoten. Dat blijkt uit het Masterplan Dienst Justitiële Inrichtingen 2013-2018, waarmee de ministerraad 22 maart heeft ingestemd op voorstel van staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie.
Jonge Marokkaanse geweldpleger vaker thuis mishandeld
21 maart 2013
Jonge Marokkaans-Nederlandse geweldplegers zijn als kind vaker door hun ouders mishandeld dan jonge Nederlandse geweldplegers. Dat blijkt uit onderzoek van psychologen aan de Universiteit van Tilburg, dat binnenkort wordt gepubliceerd in het European Journal of Criminology.
Wat is delinquent gedrag, welke verschillende soorten strafbaar gedrag bestaan er, hoeveel jongeren vertonen dat gedrag en wat zijn daarvoor de risicofactoren?
Onder delinquent (of crimineel) gedrag vallen verschillende gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld.
Delinquent of crimineel gedrag is een verzamelterm voor verschillende soorten gedrag die volgens de wet strafbaar zijn en die daarom tot een boete of straf kunnen leiden. Kinderen onder de twaalf jaar kunnen in Nederland volgens het strafrecht niet veroordeeld worden. Officieel gaat het bij jeugddelinquentie dus om jongeren in de leeftijdscategorie vanaf twaalf jaar.
Strafbare feiten of delicten zijn te verdelen in vier typen: geweldsdelicten, vermogensdelicten, vernieling en overige delicten. Binnen deze typen kan weer een onderscheid worden gemaakt tussen overtredingen en misdrijven. Overtredingen zijn voornamelijk lichte vormen van regelovertredingen zoals zwartrijden en vuurwerk afsteken buiten de daarvoor bestemde periode. Misdrijven zijn zwaardere strafbare feiten zoals (winkel)diefstal, inbraak, mishandeling, beroving of verkrachting.
Het aantal geregistreerde minderjarige verdachten daalde in de periode 2005 - 2011 met 45 procent. Terwijl in 2005 van iedere 1.000 jongeren van twaalf tot achttien jaar er 82 geregistreerd stonden als verdachte van een misdrijf waren dit er in 2011 nog 45. Vooral het aantal verdachte jongens is sterk gedaald (Rosmalen e.a. 2012).
Dit zijn gegevens gebaseerd op registraties door de politie. Daarnaast zijn er gegevens verkregen uit onderzoek waarbij jongeren bevraagd zijn over hun eigen gedrag. Het gaat dan om zelfgerapporteerde criminalitiet, Deze cijfers liggen een stuk hoger. In 2010 zegt ruim een derde (38 procent) van de 12- tot en met 17- jarigen dat ze zich in de voorafgaande 12 maanden schuldig hebben gemaakt aan één of meerdere van de 27 gevraagde delicten. Het percentage dat een delict heeft gepleegd, neemt toe tussen de 12 jaar en 14 jaar tot 43 procent, en blijft dan stabiel. Zelfgerapporteerde delinquentie blijkt in periode 2005 - 2010 iets gedaald, maar het verschil is niet significant (Van der Laan en Blom, 2011).
Laatst bewerkt: 24 oktober 2012
Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit
Monitor Jeugdcriminaliteit

Sinds 2005 is er bij alle herkomstgroepen een daling te zien in het aantal aangehouden minderjarige verdachten. Jongeren met een Marokkaanse afkomst vormen over de jaren heen de grootste groep. In 2010 waren 72 van elke 1.000 jongeren met een Marokkaanse herkomst als verdachte aangehouden. In 2005 was dit aantal 90 per 1.000 jongeren. Vergeleken met autochtone jongeren worden allochtone jongeren aanzienlijk vaker aangehouden. In 2010 ging het om 12,8 per 1.000 autochtone jongeren. Onder de allochtone jongeren waren het er 38,2 per 1.000 jongeren.
Risicofactoren in het gezin en de opvoeding
In het gezin en in de opvoeding zijn factoren aan te wijzen die het risico op het plegen van delicten vergroten. Zo is bekend dat jongeren een groter risico lopen op gedragsproblemen, waaronder delinquent gedrag, als hun ouders zelf psychische problemen hebben. Ouders met problemen zijn minder beschikbaar en gevoelig voor hun kinderen en kunnen daardoor minder goed reageren op hun gedrag.
Andere risicofactoren die in het gezin kunnen spelen zijn: een inconsequente en ruwe opvoedingsstijl, het ontbreken van basale opvoedingsvaardigheden, veel wisselingen van opvoeders en het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen. In veel gezinnen met jongeren die gedragsproblemen hebben dwingen de gezinsleden elkaar tot negatief gedrag. Kinderen leren dan dat zij door negatief gedrag, zoals zeuren, slaan en driftig zijn, hun zin krijgen. Zij vertonen dat gedrag daarom steeds meer, ook buiten het gezin. Dat maakt hen niet bepaald geliefd bij leeftijdgenoten, waardoor ook op school en in de buurt problemen ontstaan.
Wanneer in een gezin problemen spelen, maar ouders betrokkenheid tonen bij hun kind, onderling op een positieve manier met elkaar omgaan of hun eigen boosheid goed in de hand houden, zijn dat juist beschermende factoren.
Risicofactoren in de omgeving
Ook in de omgeving van jeugdigen kunnen risicofactoren voor delinquentie aanwezig zijn: armoede, een slechte buurt of een vriendenkring die negatief gedrag vertoont. Personen in zijn omgeving met wie een kind of jongere wél een goede band heeft, kunnen een beschermende invloed hebben.
Risicofactoren in het kind
Naast risicofactoren in het gezin en in de omgeving spelen waarschijnlijk ook neuropsychologische en biologische factoren bij het kind zelf een rol. Die factoren zorgen voor verschillen in temperament, motorische ontwikkeling, concentratievermogen, logisch redeneren en zelfcontrole.
Zo hebben jeugdigen met gedragsstoornissen vaak in rust een lage hartslag, een indicatie voor een laag angstniveau. Dat betekent dat ze niet snel bang zijn voor de gevolgen van hun gedrag. Daarnaast hebben ze dikwijls negatieve gedachten over zichzelf, bijvoorbeeld ‘ik ben waardeloos’ of ‘ze moeten altijd mij hebben’. Daardoor interpreteren ze sociale informatie vaak verkeerd. Ze beleven reacties van anderen bijvoorbeeld al snel als agressief en reageren daar ook zo op.
Beschermende factoren in het kind zijn bijvoorbeeld een vrolijk karakter en gevoel voor humor, waardoor de omgang met anderen soepeler verloopt.
Meer informatie
Meer informatie over de risicofactoren van delinquentie en over ontwikkeling ervan is te vinden in het volgende artikel uit 'Jeugd en Co Kennis', jaargang 2, nummer 4, 2008:
Effectieve interventies tegen jeugddelinquentie 
Hier vindt u informatie over de aanpak van delinquent gedrag, over effectieve interventies en over instrumenten voor het signaleren van delinquent gedrag en het vaststellen van het risico daarop bij jongeren.
Er bestaan drie soorten interventies waarvan onderzoek heeft aangetoond dat zij helpen om de ontwikkeling van gedragsstoornissen en delinquent gedrag te voorkomen: cognitieve gedragstherapie voor kinderen en jongeren, opvoedingstraining voor ouders en trainingen die beide elementen combineren.
Als gedragsproblemen zich ontwikkeld hebben tot gedragsstoornissen of als jongeren delicten plegen blijkt het ingrijpen via de ouders goed te helpen, in combinatie met het trainen van de jongeren. Bij chronische problemen is vaak een 'multisysteemaanpak' nodig: het trainen van jongeren en ouders, gecombineerd met ingrijpen op school en in de vriendenkring.
Niet alle belangrijke risicofactoren laten zich beïnvloeden door interventies die gericht zijn op de jongere of zijn ouders, gezin, leerkrachten en vriendenkring. Ook omgevingsfactoren, zoals de buurt en de financiële situatie van het gezin, kunnen bepalend zijn voor delinquentie. Om de negatieve invloed hiervan te verminderen bestaan er bijvoorbeeld financiële regelingen om kinderen en jongeren te laten deelnemen aan clubs en kan er jongerenwerk in de buurt gestart worden.
Het is belangrijk om interventies af te stemmen op de factoren die het delinquente gedrag veroorzaken en op de karaktereigenschappen van de jongere. Deze algemeen werkzame factoren bepalen voor een groot deel of interventies werken of niet. Een overzicht van de algemeen werkzame factoren vindt u in het dossier Gedragsstoornissen. Meer informatie over de principes van effectieve interventies en aan onderbouwing van de genoemde werkzame factoren vindt u in: Wat werkt bij gedragsproblemen en gedragsstoornissen?
.
Meer informatie over werkzame factoren bij de preventie en behandeling van delinquent gedrag bij jongeren vindt u in een artikel in het tijdschrift 'Jeugd en Co Kennis', jaargang 2, nummer 4, 2008: Effectieve interventies tegen jeugddelinquentie
.
Meer informatie over forensische kinder- en jeugdpsychiatrie is ook te vinden op de site van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
Om delinquent gedrag onder kinderen en jongeren te voorkomen of de kans op herhaling te verkleinen zijn verschillende interventies ontwikkeld. De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend. Voor de behandeling van delinquent gedrag maken we een onderscheid tussen interventies die daar met name op gericht zijn en interventies die een breder scala aan gedragsproblemen aanpakken, waaronder delinquent gedrag. Van de hieronder genoemde interventies wordt een aantal (mede) toegepast in strafrechtelijk kader (justitiële jeugdinrichting, jeugdreclassering). Deze interventies zijn erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie.
Interventies die met name gericht zijn op het behandelen van antisociaal gedrag en het verkleinen van de kans op herhaling zijn veelal gericht op jongeren en gebaseerd op cognitieve gedragstherapie. Interventies gericht op jongeren zijn: 'Agressieregulatie op maat', 'Brains 4 use', 'Buitenprogramma Work-wise', 'Equip', 'In control', 'Leren van Delict', 'Multidimensional Treatment Foster care', 'Nieuwe perspectieven bij terugkeer', 'Residentieel Gedragstherapeutisch Behandelprogramma', 'Tools 4 U' en 'WSART'. Deze interventies worden alle (mede) binnen een strafrechtelijk kader toegepast.
Eén interventie, 'Twaalfminprocedure Haaglanden STOP', richt zich op kinderen onder de 12 jaar die met de politie in aanraking zijn geweest. Andere interventies zijn gericht op ouders ('Ouders van tegendraadse jeugd'), het gezin ('Intensieve Orthopedagogische gezinsbegeleiding', 'Wijkgerichte Intensieve gezinsbegeleiding') of op verschillende sociale systemen tegelijk: jongere, gezin, school en sociaal netwerk ('Multisysteem Therapie'). Deze interventies richten zich naast het probleemgedrag van de jongeren ook op bijvoorbeeld het gezinsfunctioneren.
Interventies die mede gericht zijn op jongeren die delinquent gedrag vertonen gaan in op een bredere problematiek waarvan delinquentie er één is. Het kan gaan om bijvoorbeeld jongeren met overmatig drugs- en alcohol gebruik ('Multidimensionale Familietherapie'), jongeren met probleemgedrag die moeite hebben zich in sociale situaties te handhaven ('Sociale Vaardigheden op Maat'), jongeren die maatschappelijk overlast vertonen ('Nieuwe perspectieven' en 'Marokkaanse Buurtvaders'), jongeren met een geringe maatschappelijke participatie ('Titan' en 'Titan Plus') of jongeren met meerdere gedragsproblemen waarbij de interventie zich, behalve op het gedrag van de jongeren, richt op het gezinsfunctioneren ('Functionele Gezinstherapie'). Een uitgebreide lijst van interventies gericht op het voorkomen van gedragsproblemen en gedragsstoornissen vindt u in de dossiers Gedragsproblemen en Gedragsstoornissen.
Informatie over de werkzame mechanismen bij de aanpak van delinquent gedrag vindt u onder Wat werkt.
Er bestaan uiteenlopende instrumenten voor de vroegsignalering, screening en risicotaxatie van jeugddelinquentie:
Vroegsignalering leidt tot de constatering dat er mogelijk sprake is van (het risico op) delinquentie. Daarnaast vindt er vroegsignalering plaats wanneer het vermoeden van problemen niet duidelijk is afgebakend tot een bepaald type probleem. Een voorbeeld van een instrument voor vroegsignalering van jeugddelinquentie is de 'Attitudeschaal Sociale Limieten'. Dit instrument brengt aan de hand van diverse situatieschetsen de houding van jongeren in beeld ten opzichte van normen en waarden, wetten en regelgeving.
Deze instrumenten zijn geschikt voor het vroegtijdig signaleren van delinquent gedrag:
Screeningsinstrumenten worden in een later stadium gebruikt, om een kind of jongere specifiek op delinquent gedrag te onderzoeken. Screening leidt tot de constatering of en in welke mate er daadwerkelijk sprake is van delinquent gedrag. Een voorbeeld van een instrument dat zich leent voor de screening van (onder meer) delinquent gedrag is de 'Vragenlijst Sociale en Pedagogische Situaties' (VSPS). Deze vragenlijst kan worden gebruikt bij kinderen en jongeren die vermoedelijk problemen hebben.
Deze instrumenten zijn geschikt voor screening op delinquentie:
Er bestaan ook instrumenten voor risicotaxatie. Daarmee kan het toekomstig geweldsrisico bij jongeren in kaart gebracht worden. Een voorbeeld van zo'n instrument is de 'Structured Assessment of Violence Risk in Youth' (SAVRY). De psychometrische eigenschappen hiervan zijn recent onderzocht en laten positieve resultaten zien.
Naast individueel delinquent gedrag kan crimineel groepsgedrag worden onderzocht. Een voorbeeld van een instrument dat gebruikt wordt om groepscriminaliteit in kaart te brengen is de ‘Shortlist groepscriminaliteit’. Met behulp van deze vragenlijst is het mogelijk problematische jeugdgroepen in een gemeente te karakteriseren zodat een passende aanpak kan worden ontwikkeld.
Deze instrumenten zijn geschikt voor het inschatten van toekomstig delinquent gedrag:
Delinquente jeugdigen kunnen, na strafoplegging door de (kinder)rechter, verblijven in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI), in het bijzonder de Justitiële Opvanginrichting. Niet-criminele jongeren die ernstige problemen in de thuissituatie ervaren en veelal een Ondertoezichtstelling (OTS, een civielrechtelijke maatregel) opgelegd kregen, komen terecht in de andere groep van justitiële jeugdinrichtingen, namelijk de justitiële behandelinrichtingen. Vrijwel alle opvanginrichtingen zijn gesloten, terwijl de behandelinrichtingen zowel open als gesloten kunnen zijn.
Vóór opvang in een Justitiële Jeugdinrichting komt de Jeugdreclassering al in actie op het moment dat de politie, na proces-verbaal, een minderjarige meldt bij de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming voert de regie in de jeugdreclassering en coördineert en begeleidt taakstraffen; Bureau Jeugdzorg (BJZ) zorgt voor eventuele gezinsvoogdij en de uitvoering van de jeugdreclassering. Bureau Jeugdzorg (BJZ) zorgt ook voor jeugdreclassering wanneer de detentie is afgelopen.
Toezicht op de uitvoer van straffen en maatregelen bij jeugdbescherming of jeugdzorg wordt gehouden door de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De Raad voor de Kinderbescherming houdt toezicht op de procesgang van een minderjarige verdachte.
Beschrijvingen van betrokken organisaties, afkomstig uit het Overzicht van de jeugdsector dat u elders op deze site kunt raadplegen:
Dit overzicht bevat relevante na- en bijscholing. De informatie is afkomstig uit de databank Na- en Bijscholing van het Nederlands Jeugdinstituut.
Om een professionele manier van het werken te kunnen waarborgen, is het van belang dat na- en bijscholing van goede kwaliteit is. Daarom beoordelen beroepsregisters via accreditatie de kwaliteit en bijdrage van de scholing voor de beroepsuitoefening van de betreffende beroepsgroep. Bij de databank Na- en Bijscholing vindt u meer informatie over deze accreditatie.
Het beleid van de overheid op het gebied van jeugddelinquentie is vooral gericht op het voorkomen van jeugdcriminaliteit of het verminderen van de kans op herhaling. Een overzicht van de recente ontwikkelingen in het rijksbeleid en de bijbehorende beleidsstukken.
Het actuele beleid van de overheid op het gebied van jeugddelinquentie bestaat in grote lijnen uit de volgende onderdelen:
Vroegtijdig ingrijpen, snel straffen en goede nazorg zijn de focus van de Rijksoverheid bij de aanpak van jeugdcriminaliteit. Wat betreft de jeugdstrafrechtketen zijn er sinds 2008 bestaan er naast justitiële jeugdinrichtingen(JJi's) voor kinderen van 12 tot 18 die iets strafbaars hebben gedaan ook Jeugdzorg Plus instellingen voor kinderen met gedragsproblemen. Daarom worden tegenwoordig kinderen die vanuit het strafrecht in een gesloten inrichting worden geplaatst niet meer in dezelfde voorzieningen geplaatst als jongeren met gedragsproblemen. Meer informatie over Jeugdzorg Plus in het dossier Gedragsstoornissen - Rijksbeleid. Meer informatie over de aanpak van jeugdcriminaliteit op de website van de rijksoverheid.
De Verwijsindex Risicojongeren is een landelijk digitaal systeem dat risicomeldingen van hulpverleners over jongeren bij elkaar brengt. Jongeren die, doordat zij delinquent gedrag vertonen, in aanraking komen met bijvoorbeeld politie kunnen gemeld worden in dit systeem. De beroepskracht krijgt direct een melding als er meerdere hulpverleners met deze jongere bezig zijn. Meer informatie op de website van de Verwijsindex.
Kinderen onder de 12 zijn in principe niet strafbaar, maar sinds 1 september 2010 zijn er wetswijzigingen van kracht die aanpak van criminaliteit door kinderen uit de leeftijdsgroep wel mogelijk maken. Deze wijzigingen worden gezamenlijk ook wel de 'voetbalwet' genoemd. Door de wetswijzigingen heeft de burgemeester bijvoorbeeld de mogelijkheid om bij (vrees voor) openbare orde problemen een gebiedsverbod op te leggen aan een minderjarige, om meerderjarigen (andere dan de ouders) aan te wijzen als begeleiders van een minderjarige en om de kinderbijslag op te schorten als ouders niet meewerken met een gezinsvoorgd. Politie kan ouders van 12-minners met problematisch gedrag verwijzen naar de vrijwillige hulpverlening. Zie voor meer informatie de brochure 'Aanpak van Marokkaans-Nederlandse 12-minners.'
Het jeugdstrafrecht is aangepast door de Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen die op 1 februari 2008 in werking is getreden. Door deze wet zijn onder andere de volgende nieuwe elementen aan het jeugdstrafrecht toegevoegd: de invoering van de gedragsmaatregel, de uitbreiding van de mogelijkheden om jeugdsancties te combineren en de verruiming van de mogelijkheden om al vóór de veroordeling beslag te leggen op eigendommen. Meer informatie
De strafrechtelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, de zogenaamde PIJ-maatregel, is ingevoerd in 1995. In juli 2006 heeft de minister van Justitie een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over de toekomst van deze maatregel. Daarin kondigde hij onderzoek aan naar de maatregel, ging hij in op de achtergronden, de huidige knelpunten, de reeds ondernomen acties en de richtingen waarin de uitvoering verbeterd moet worden. Meer informatie
De Algemene Rekenkamer heeft in 2007 een onderzoeksrapport uitgebracht over de resocialiserende taak van justitiële jeugdinrichtingen (JJi's) bij strafrechtelijk geplaatste jongens.
Meer informatie
In 2007 hebben de gezamenlijke inspecties een onderzoek uitgevoerd naar de veiligheid in de justitiële jeugdinrichtingen. Dit naar aanleiding van problemen die in 2005 in Jongerenhuis Harreveld aan het licht kwamen. De conclusie was negatief. In 2010 kwamen de gezamenlijke inspecties met nieuw rapport
, waarin ze concluderen dat er inmiddels veel verbeteringen zichtbaar zijn. Specifieke kritische kanttekeningen plaatsen ze nog bij de aandacht voor psychische stoornissen van jongeren, onderwijs, onderbezetting van jongerenplaatsen en de borging van de kwaliteit van de instellingen (Gezamenlijke inspecties 2010).
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in het kabinet Rutte-Verhagen heeft in 2011 voorgesteld om zogenaamd adolescentenstrafrecht in te voeren. In het voorstel staan maatregeleen om voor de leeftijdsgroep van 15-23 jaar meer strafrechtmogelijkheden te creëren. Onderdeel van de voorstellen zijn onder meer: verplichte nazorg na invrijheidstelling; onderwijs voor jongeren die vast zitten in het kader van een justitiele maatregel; het stimuleren van het gebruik van systeemgerichte interventies, waarbij ouders en opvoeders betrokken wordt bij de behandeling van criminele jongeren; de mogelijkheid om een PIJ maatregel in TBS om te zetten. Meer informatie in de brief aan de tweede kamer over Adolescentenstrafrecht.
. Utrecht, Inspectie jeugdzorg / Inspectie van het Onderwijs / Inspectie voor de Gezondheidszorg / Inspectie voor de Sanctietoepassing. De Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen is sinds 1 februari 2008 van kracht en heeft de volgende nieuwe elementen aan het jeugdstrafrecht toegevoegd:
Gedragsmaatregel
In het jeugdstrafrecht is heropvoeding een belangrijk doel van de straf. Voorheen werden gedragsinterventies meestal opgelegd als bijzondere voorwaarde bij de straf. Dankzij de nieuwe wet kan de rechter ook een of meer gedragsinterventies als straf op zich opleggen, net als hij dat al kon met taakstraffen, jeugddetentie en PIJ-maatregel. Als gedragsmaatregel moeten gedragsinterventies samen minstens een half jaar en hoogstens een jaar duren. Bijkomend voordeel van deze 'legalisering' van gedragsinterventies is dat voor iedereen duidelijk wordt wat er precies te gebeuren staat en wat de consequenties zijn van een eventuele mislukking. Het is de bedoeling dat de gedragsmaatregel niet alleen in de plaats komt van bijzondere voorwaarden, maar voor een deel ook taakstraffen, jeugddetentie of de PIJ-maatregel vervangt.
Bijzondere voorwaarden bij schorsing voorlopige hechtenis
De nieuwe wet geeft ook meer duidelijkheid over wat wel en niet is toegestaan in de sfeer van de bijzondere voorwaarden. Zolang een jongere nog niet veroordeeld is mag hij niet worden bestraft. Hoewel het zonde van de tijd is om in die periode helemaal niets te doen, is het niet langer de bedoeling dat in deze fase al 'zware' voorwaarden worden gesteld. In een bij de wet behorend uitvoeringsbesluit wordt nader uitgewerkt wat voortaan de maximale duur van bijzondere voorwaarden mag zijn en wat zij wel en niet mogen inhouden.
Het besluit om nieuw zorgaanbod te ontwikkelen voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die onder toezicht zijn gesteld, heeft grote gevolgen voor de justitiële jeugdinrichtingen. Na 2010 worden daar geen onder toezicht gestelde jongeren meer geplaatst. Dat betekent dat deze jeugdinrichtingen voortaan nog maar ongeveer de helft van het huidige aantal jongeren onder hun hoede krijgen.
Drie belangrijke veranderingen
Vooruitlopend op de voorgenomen veranderingen heeft het ministerie van Justitie eind 2006 een interne visienota opgesteld over de toekomst van de justitiële jeugdinrichtingen. Een deel van de plannen was al eerder verwoord in een brief aan de Tweede Kamer over het verbeteren van de uitvoering van de strafrechtelijke maatregel 'plaatsing in een inrichting voor jeugdigen', de zogenaamde PIJ-brief.
De drie belangrijkste veranderingen zijn:
De Algemene Rekenkamer heeft in 2007 op eigen initiatief onderzoek gedaan naar de mate waarin de justitiële jeugdinrichtingen hun resocialiserende taak waarmaken bij strafrechtelijk geplaatste jongens. De conclusie was dat deze inrichtingen betere resultaten kunnen boeken door planmatiger te werken.
Lange wachttijden
De jongens die de behandelmaatregel 'plaatsing in een inrichting voor jeugdigen' opgelegd hebben gekregen, blijken lang te moeten wachten voordat hun behandeling start. Gemiddeld moeten zij 298 dagen wachten op plaatsing in een behandelinrichting. Vervolgens duurt het gemiddeld nog eens een klein jaar voordat er een behandelplan ligt.
Nodig: betere evaluaties en effectieve interventies
Bestaande behandelplannen moeten volgens de Algemene Rekenkamer beter geëvalueerd te worden. Het pedagogisch klimaat in de inrichting moet een positieve bijdrage leveren aan de uitvoering van die behandelplannen. Volgens de Rekenkamer dient Justitie bovendien meer te sturen op het aantal deelnemers aan effectieve interventies en op het aantal plannen dat binnen de gestelde termijnen opgesteld en geëvalueerd wordt. De inrichtingen moeten er meer voor zorgen dat de jongens een geleidelijke overgang naar de samenleving kunnen maken en dat zij meer nazorg krijgen na hun vertrek.
Het rapport 'Detentie, behandeling en nazorg van criminele jeugdigen' is te downloaden van de site van de Algemene Rekenkamer. Hoofdstuk 4 en 5 van deel II gaan specifiek over het onderzoek onder strafrechtelijk geplaatste jongens.
Vier inspecties - voor de jeugdzorg, het onderwijs, de gezondheidszorg en de sanctietoepassing - hebben in 2007 een gezamenlijk rapport uitgebracht over de veiligheid in de justitiële jeugdinrichtingen. Aanleiding waren de klachten over - seksueel - geweld tussen jongens in Jongerenhuis Harreveld, die eind 2005 aan het licht kwamen. Het onderzoek van de inspecties was bedoeld om antwoord te krijgen op de vraag of de veiligheidsrisico's die in Harreveld bestonden, ook in andere inrichtingen voorkwamen.
Onvoldoende veiligheid in inrichtingen
De gezamenlijke inspecties concluderen dat de inrichtingen onvoldoende in staat zijn om een veilig leef-, behandel- en werkklimaat te garanderen. In zes van de veertien inrichtingen is het risico op een onveilig klimaat ernstig. In de overige inrichtingen is dat risico laag of matig. De inrichtingen met een laag risico onderscheiden zich in gunstige zin doordat hun medewerkers beter worden ingewerkt en ondersteund, jongeren en ouders meer betrokken worden bij het opstellen en evalueren van behandel- en verblijfsplannen en er een betere samenwerking is tussen school en inrichting.
Meer deskundige begeleiding nodig
Het algemene beeld dat de inspecties van de justitiële jeugdinrichtingen schetsen is negatief. De opvoeding blijkt lang niet overal centraal te staan in het dagelijks handelen. De inrichtingen hebben gebrek aan personeel. Bovendien ontbreekt het bij het zittende personeel aan deskundigheid. De inrichtingen zien het begeleiden en behandelen van jongeren met ernstige gedragsproblemen te weinig als een belangrijke voorwaarde voor een veilig klimaat in de inrichting en voor de veiligheid van de jongeren en de samenleving. Hun beleid is onvoldoende gericht op het voorkomen van agressie en geweldsincidenten.
Controle door inspecties
De inspecties verwachten van de inrichtingen dat zij maatregelen nemen om de veiligheidsrisico's te verkleinen. Inrichtingen met een ernstig risico krijgen verscherpt inspectietoezicht. De inrichtingen met een matig risico moeten verbeteringen doorvoeren en krijgen een heronderzoek. De overige inrichtingen hoeven alleen te rapporteren over de voortgang.
Overheid moet voorwaarden scheppen en visie formuleren
De inspecties doen tevens de dringende aanbeveling aan de staatssecretaris van Justitie, de minister van Justitie en de minister van Jeugd en Gezin om voorwaarden te scheppen voor de noodzakelijke verbeteringen. Ze vragen hen de inrichtingen maximaal te ondersteunen om die verbeteringen vorm te geven en bovenal een visie te formuleren over de manier waarop in de inrichtingen 'een op de behoeften van de jongeren toegespitst opvoed- en behandelklimaat binnen de inrichting en op school bijdraagt aan de veiligheid voor de jongeren en voor het personeel' (inspectierapport, pagina 5).
. Utrecht: Inspectie Jeugdzorg, Inspectie van het onderwijs, Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie voor de Sanctietoepassing.
Hier vindt u een selectie van relevante beleidsstukken, analyses of adviezen.
De korte omschrijvingen zijn ontleend aan de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut.
Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.
Hier vindt u een selectie van relevante literatuur uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u zelf kunt zoeken naar literatuur.
29 mei 2013
Organisator: Leids Congres Bureau
Plaats: Utrecht
Kosten: 320 euro (ex. BTW)
Website: www.leidscongresbureau.nl
Mensen met een lichte verstandelijke beperking (lvb) lopen een groter risico op problematisch middelengebruik en verslaving. Voor professionals die te maken krijgen met deze dubbele problematiek is vaak nog onduidelijk hoe ze het beste kunnen handelen. De studiedag gaat over de relatie tussen een lvb en verslaving. Het ochtendprogramma geeft antwoord op vragen als: Hoe signaleer je een verslaving bij iemand met een lvb, en hoe signaleer je een lvb bij iemand met een verslaving? Tijdens het middagprogramma kunt u kiezen uit verdiepende workshops en presentaties van praktijkvoorbeelden.
3 juni 2013 - 25 juni 2013
Organisator: Nederlands Jeugdinstituut; VNG Academie
Plaats: Eindhoven
Kosten: Gratis
Website: www.nji.nl
In een reeks van vier bijeenkomsten - Kennisateliers - komt basiskennis aan de orde met betrekking tot de transitie van de zorg voor jeugd. De vier Kennisateliers gaan over de jeugd-ggz, de zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking, de huidige provinciale jeugdzorg, en de kinderbescherming en de jeugdreclassering. Er wordt aandacht besteed aan de doelgroepen, de huidige problematiek, het bestaande aanbod, de financiering, de inrichting van het nieuwe stelsel, de laatste ontwikkeling op het terrein van wet- en regelgeving en de rol van de gemeenten in het nieuwe stelsel. De Kennisateliers zijn bedoeld voor transitiemanagers, beleidsadviseurs, afdelingshoofden en directieleden uit de provincies Zeeland, Brabant en Limburg die bij gemeenten betrokken zijn bij de transitie.
4 juni 2013 - 25 juni 2013
Organisator: Nederlands Jeugdinstituut; VNG Academie
Plaats: Haarlem
Kosten: Gratis
Website: www.nji.nl
In een reeks van vier bijeenkomsten - Kennisateliers - komt basiskennis aan de orde met betrekking tot de transitie van de zorg voor jeugd. De vier Kennisateliers gaan over de jeugd-ggz, de zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking, de huidige provinciale jeugdzorg, en de kinderbescherming en de jeugdreclassering. Er wordt aandacht besteed aan de doelgroepen, de huidige problematiek, het bestaande aanbod, de financiering, de inrichting van het nieuwe stelsel, de laatste ontwikkeling op het terrein van wet- en regelgeving en de rol van de gemeenten in het nieuwe stelsel. De Kennisateliers zijn bedoeld voor transitiemanagers, beleidsadviseurs, afdelingshoofden en directieleden uit de provincies Noord- en Zuid-Holland die bij gemeenten betrokken zijn bij de transitie.
7 juni 2013 - 26 juni 2013
Organisator: Nederlands Jeugdinstituut; VNG Academie
Plaats: Assen
Kosten: Gratis
Website: www.nji.nl
In een reeks van vier bijeenkomsten - Kennisateliers - komt basiskennis aan de orde met betrekking tot de transitie van de zorg voor jeugd. De vier Kennisateliers gaan over de jeugd-ggz, de zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking, de huidige provinciale jeugdzorg, en de kinderbescherming en de jeugdreclassering. Er wordt aandacht besteed aan de doelgroepen, de huidige problematiek, het bestaande aanbod, de financiering, de inrichting van het nieuwe stelsel, de laatste ontwikkeling op het terrein van wet- en regelgeving en de rol van de gemeenten in het nieuwe stelsel. De Kennisateliers zijn bedoeld voor transitiemanagers, beleidsadviseurs, afdelingshoofden en directieleden uit de provincies Groningen, Friesland en Drenthe die bij gemeenten betrokken zijn bij de transitie.
11 juni 2013 - 24 juni 2013
Organisator: Nederlands Jeugdinstituut; VNG Academie
Plaats: Zwolle
Kosten: Gratis
Website: www.nji.nl
In een reeks van vier bijeenkomsten - Kennisateliers - komt basiskennis aan de orde met betrekking tot de transitie van de zorg voor jeugd. De vier Kennisateliers gaan over de jeugd-ggz, de zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking, de huidige provinciale jeugdzorg, en de kinderbescherming en de jeugdreclassering. Er wordt aandacht besteed aan de doelgroepen, de huidige problematiek, het bestaande aanbod, de financiering, de inrichting van het nieuwe stelsel, de laatste ontwikkeling op het terrein van wet- en regelgeving en de rol van de gemeenten in het nieuwe stelsel. De Kennisateliers zijn bedoeld voor transitiemanagers, beleidsadviseurs, afdelingshoofden en directieleden uit de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht en Flevoland die bij gemeenten betrokken zijn bij de transitie.
Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
Het dossier Delinquentie is online sinds 2008. Laatste actualisatie: december 2011.
Dit dossier wordt op onderdelen regelmatig geactualiseerd. Minimaal één keer per jaar wordt het dossier in zijn geheel op actualiteit gecontroleerd.
Heeft u een opmerking of aanvulling op dit dossier? U kunt deze plaatsen op de pagina Reacties. Na bevestiging van uw kant is deze zichtbaar voor bezoekers.
Heeft u een vraag? Stel een vraag .