© Nederlands Jeugdinstituut
Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht
Postbus 19221 • 3501 DE Utrecht
t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12
e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl

Dossier: Geboorte

Vergeleken met andere landen krijgen vrouwen in Nederland op relatief hoge leeftijd hun eerste kind. Dit dossier gaat in op alle veranderingen die de geboorte van een kind in een gezin teweegbrengt. Over zwangerschap, huilbaby's, hechting, borstvoeding, opvoednetwerk en de combinatie van werk en zorg.

Inhoudsopgave:



Nieuws

Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over geboorte en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.

Kraamzorg krijgt eigen kenniscentrum
29 april 2013
Brancheorganisaties en de beroepsvereniging voor kraamverzorgenden hebben het Kenniscentrum Kraamzorg opgericht. Doel van het kenniscentrum is de kraamsector te profileren binnen het netwerk van de geboortezorg.

Welbevinden kinderen in Overijssel het hoogst
25 april 2013
De jeugd in Overijssel komt het beste uit een vergelijking van het welbevinden van kinderen tussen de twaalf provincies. Dat blijkt uit een analyse door het Nederlands Jeugdinstituut van onlangs door UNICEF gepubliceerde gegevens.

Luinge benoemd als lector Kind, Taal en Ontwikkeling
9 april 2013
Margreet Luinge wordt op 11 april geïnstalleerd als lector Kind, Taal en Ontwikkeling aan de Hanzehogeschool Groningen. Centrale thema's in het lectoraat zijn spraak- en taalontwikkeling, de auditieve verwerking en te vroeg geboren kinderen.

Slaapgebrek structureel bij ouder van jong kind
3 april 2013
Een derde van de ouders met kinderen tot en met 5 jaar slaapt structureel een uur te weinig per nacht. Dat blijkt uit een landelijke enquête naar slaap en ouderschap van de Nederlandse Vereniging voor Slaap/Waak Onderzoek (NSWO) en de Universiteit Leiden.

Nieuwe richtlijn voor excessief huilende baby
3 april 2013
Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) heeft de multidisciplinaire richtlijn 'Preventie, signalering, behandeling en diagnostiek van excessief huilen bij baby's' gepubliceerd op zijn website.

Advies: Basistaken jgz kunnen gelijk blijven
7 maart 2013
Consultatiebureaus en schoolartsen moeten in de toekomst elk kind vaccinaties en screeningen blijven aanbieden en problemen met gezond opgroeien blijven signaleren. Dat adviseert de Commissie Evaluatie Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg in haar advies, dat 7 maart is aangeboden aan staatssecretaris Martin van Rijn van VWS.

Nieuwe website integrale vroeghulp gelanceerd
7 maart 2013
Op de nieuwe website van Integrale Vroeghulp is kennis en ervaring samengebracht van beroepskrachten binnen de keten van zorg en onderwijs. Ouders kunnen op de website begeleiding en ondersteuning vinden in hun eigen buurt.

Aantal jonge kinderen in grote steden gestegen
21 februari 2013
In de vier grote steden neemt het aantal kinderen van 0 tot 5 jaar toe, terwijl het in de rest van het land juist daalt. Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 15 februari publiceerde.

Babysterfte Nederland gedaald door betere zorg
14 december 2012
De sterfte van baby's rond de geboorte is in Nederland sinds 2004 met 23 procent gedaald. Minister Edith Schippers van Volksgezondheid meldt in een brief aan de Tweede Kamer dat betere zorg rond zwangerschap en geboorte daar de oorzaak van is.

'Jgz moet basisaanbod afstemmen op kind en gezin'
4 december 2012
Het basisaanbod van preventieve jeugdgezondheidszorg moet voor elk kind hetzelfde doel nastreven, maar niet per se dezelfde activiteiten bevatten. Dat stellen zes organisaties in de jeugdgezondheidszorg in een advies aan VWS en de commissie-De Winter.


Achtergronden

Met de geboorte van het eerste kind worden ook zijn ouders 'geboren' en ontstaat er een gezin. In dit dossier is de aandacht gericht op deze gezinsvormende fase. Die fase begint met een latente kinderwens en eindigt ongeveer een jaar na de geboorte van het eerste kind. Uitgedrukt in de kinderleeftijd gaat het hier dus over de periode van -9 maanden tot 1 jaar. 


Definitie ouderschap

Niet alleen de geboorte van een kind is het begin van ouderschap en gezinsvorming. Ook de komst van een adoptiekind of een pleegkind kan het startpunt zijn. Hier vindt u de definitie van het gezin in het Nederlandse gezinsbeleid. Daarnaast komen diverse aspecten van ouderschap aan de orde: biologisch, juridisch, sociaal, ethisch en affectief ouderschap en zorgouderschap.

Beleidsdefinitie gezin

In het Nederlandse gezinsbeleid wordt sinds het verschijnen van de Notitie Gezin (1996) onder het begrip 'gezin' verstaan: 'elk leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of meer minderjarige kinderen'.

Biologisch ouderschap

Bij biologisch ouderschap is er sprake van bloedverwantschap tussen ouder en kind. Moderne voortplantingstechnieken maken het ingewikkelder om te bepalen wie de biologische ouders zijn. Is een zaaddonor een biologische ouder? Zijn draagmoeders of vrouwen die een eicel doneren dat ook? Vragen over biologisch ouderschap zijn bijvoorbeeld aan de orde bij homoparen die een kind opvoeden.

Juridisch ouderschap

Juridisch ouderschap gaat over de rechten en plichten van het ouderschap die zijn vastgelegd in wetten. Mannen en vrouwen verkrijgen het ouderschap op verschillende manieren. De juridische moeder is de vrouw uit wie het kind geboren is of de vrouw die het kind heeft geadopteerd.
De juridische vader is:

Een rechter kan juridisch ouderschap beëindigen door ouders uit het ouderlijk gezag te zetten, bijvoorbeeld omdat zij hun kind ernstig verwaarlozen of hun ouderschap misbruiken.
Meer informatie over afstamming en ouderlijk gezag vindt u op de website van de rijksoverheid.

Sociaal ouderschap

Onder 'sociaal ouderschap' vallen de ideeën en verwachtingen van de samenleving over ouders, ouderschap en kinderen grootbrengen. Hoek (2008) laat zien dat de Nederlandse overheid in haar beleid rond opvoedingsondersteuning ideeën uitdraagt over 'opvoedend burgerschap'. Dat wil zeggen dat de overheid van ouders verwacht dat zij hun kind opvoeden tot zelfstandige burgers die zich aan de regels houden. Wubs (2004) onderzocht ideeën van deskundigen over opvoeden. Zij stelt dat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw de ontwikkeling van het kind centraal staat in opvoedkundige boeken. Castelein (2009) wijst op de roze wolk die overheerst in de beeldvorming over zwangerschap en ouderschap. Daardoor is er weinig aandacht voor de schaduwzijden van het ouderschap, zoals lichamelijke klachten, uitputting, verwerking van de bevalling, verlies van vrijheid, en gebondenheid aan een kind.

Ethisch ouderschap

Ouderschap is volgens Van der Pas (2003) een ethische relatie van de ouder met het kind. Dat houdt in dat de ouder beseft dat hij verantwoordelijk is voor het belang van zijn kind. Dit besef is onvoorwaardelijk, radicaal - het is alles of niets - en kent geen tijdslimiet. Veel ouders worden in de eerste weken na de geboorte overweldigd door dit besef van verantwoordelijkheid. Overheersende gedachten zijn: 'dit is mijn kind, hij gaat niet meer weg, en ik ben degene die voor hem moet zorgen'.

Affectief ouderschap

Affectief ouderschap heeft te maken met de persoonlijke gevoelens die een ouder voor zijn kind heeft. Als deze gevoelens positief zijn ziet een ouder zijn kind graag, houdt hij rekening met het kind en mist hij het bij afwezigheid. Maar ouders kunnen ook gemengde gevoelens hebben, bijvoorbeeld omdat ze zich soms geen raad weten met hun kind. De gevoelens van ouders kunnen zelfs ronduit negatief zijn, bijvoorbeeld als de opvoeding is vastgelopen en de ouder het gevoel heeft er voor het kind niet meer toe te doen.

Zorgouderschap

Zorgouderschap gaat over de dagelijkse zorg voor een kind. Volwassenen, bijvoorbeeld pleegouders, kunnen zorgouderschap op zich nemen zonder dat zij biologisch of juridisch ouder zijn van een kind. Voorwaarde voor zorgouderschap is dat een ouder zich kan inleven in de behoeften van een kind. De ouder moet in staat zijn een onderscheid te maken tussen zijn eigen behoeften en die van een kind en zich realiseren dat het kind geen verlengstuk van hem is.

Bronnen


Cijfers

Aantal levendgeborenen in Nederland (2001 tot 2011)In 2011 werden in Nederland ruim 180 duizend kinderen geboren. Het aantal geboorten is gedaald ten opzichte van tien jaar ervoor want in 2001 werden nog ruim 200 duizend kinderen geboren. De verwachting is dat het aantal geboorten blijft dalen tot ongeveer 175 duizend in 2014 en vervolgens weer gaat stijgen. Dit verwacht het Centraal Bureau voor de Statistiek op basis van prognoseberekeningen.

In Nederland zijn er regionale verschillen in het aantal kinderen dat vrouwen krijgen. Zo ligt het gemiddeld kindertal in Flevoland ruim boven het landelijk gemiddelde, terwijl dat in Limburg juist onder het gemiddelde ligt.

Laatst bewerkt: 23 april 2013

Cijfers (vervolg)

Hoogopgeleide vrouwen later moeder
Het opleidingsniveau speelt een rol bij de leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden. Hoogopgeleide vrouwen krijgen hun eerste kind gemiddeld op hogere leeftijd. Van de vrouwen die zelf geboren zijn tussen 1960 en 1964 werden de laagopgeleiden voor het eerst moeder toen ze gemiddeld 25,5 jaar oud waren, de middelbaar opgeleide vrouwen toen ze gemiddeld 28,3 jaar waren en de hoog opgeleiden toen ze gemiddeld 31 jaar waren. Ook tussen het opleidingsniveau en het al dan niet krijgen van kinderen blijkt een verband te bestaan. Hoogopgeleide vrouwen blijven verhoudingsgewijs vaak kinderloos: gemiddeld één op de drie. Bij laag opgeleiden is dit ongeveer één op de zes vrouwen. Dit geldt voor de vrouwen die zelf geboren zijn tussen 1960 en 1964. Sindsdien is kinderloosheid langzaam toegenomen. Deze cijfers leidden Van Agtmaal-Wobma en Van Huis, onderzoekers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, af uit het Onderzoek Gezinsvorming.

Tienermoederschap in Nederland uitzonderlijk
Tienermoederschap komt vergeleken andere landen in Nederland weinig voor. Meer informatie hierover staat bij Tienerouders.

Overlijden van kinderen bij geboorte
De meeste kindersterfte komt in Nederland voor rondom de geboorte. Meer informatie hierover staat bij Overlijden kind.

Gebruikte onderzoeken of registraties

Bevolkingsstatistiek (CBS)
Onderzoek Gezinsvorming
Eurostat

Gebruikte publicaties

Leeftijd van moeder bij geboorte eerste kind (1951 - 2011)

Leeftijd van moeder bij geboorte eerste kind (1951 - 2011)

De gemiddelde leeftijd waarop Nederlandse vrouwen hun eerste kind krijgen is bijna dertig jaar (29,4 jaar in 2011). Dit is al een aantal jaren zo, en dit is hoog ten opzichte van de jaren zeventig (zie figuur). Van de gemiddelde leeftijd van mannen bij de geboorte van hun eerste kind zijn geen exacte cijfers. Naar schatting is dit 32 jaar, omdat mannen bij de geboorte van hun eerste kind gemiddeld ruim twee jaar ouder zijn dan hun partner.

Gebruikte onderzoeken of registraties

Bevolkingsstatistiek (CBS)

Internationale vergelijking: Geboorte

Internationale vergelijking: Geboorte

Vergeleken met vrouwen in andere landen van de Europese Unie (EU) krijgen Nederlandse vrouwen vrij laat kinderen. Dit blijkt uit internationale vergelijkbare cijfers over alle EU-landen over 2009.

De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen in de EU in 2009 hun eerste kind kregen was 29,8 jaar. Nederlandse vrouwen waren toen gemiddeld 30,7 jaar.

Binnen de EU loopt de leeftijd waarop vrouwen in 2009 hun eerste kind kregen uiteen van gemiddeld 26,6 jaar in Bulgarije tot gemiddeld 31,2 jaar in Italië.


Cijfers internationaal

In Nederland krijgen vrouwen relatief veel kinderen

In 2006 kreeg de Nederlandse vrouw gemiddeld 1,72 kinderen. Het aantal vrouwen met meer dan twee kinderen daalt de laatste decennia. Vergeleken met vrouwen in andere landen van de Europese Unie (EU) krijgen Nederlandse vrouwen relatief veel kinderen. Binnen de EU ligt het gemiddelde aantal kinderen op 1,53. Vrouwen in Slowakije krijgen de minste kinderen, namelijk 1,24. Vrouwen in IJsland krijgen de meeste: 2,08. (Eurostat)

 


Gezinsleven

Vanaf de zwangerschap begint voor een toekomstig ouderpaar een ingrijpende levensfase vol veranderingen. De geboorte van het eerste kind betekent dat ouders het gezinsleven vorm moeten geven. Op alle levensgebieden treden voor de nieuwe ouders veranderingen op. Hun partnerrelatie krijgt een andere invulling. Vaak daalt het inkomen, terwijl de uitgaven stijgen. Tijdens de zwangerschap en het eerste levensjaar van het kind gaat veel aandacht van de ouders uit naar het bevorderen van een gezonde ontwikkeling. De ouders moeten wennen aan het opvoeden van het jonge kind en aan hun nieuwe identiteit als ouder. De filosofe Hannah Arendt (1994) geeft aan dat ouders bij het krijgen van een kind zowel een taak hebben naar de 'wordende mens', alsook een maatschappelijke taak naar de 'nieuwe mens'. Het (familie)netwerk kan ouders helpen bij hun taken en daarbij tot steun zijn, maar dat is niet vanzelfsprekend. Vooral voor de moeder verandert vaak de tijdsbesteding. Een werkende vrouw houdt vaak haar baan, maar gaat meestal wel minder uren betaald werken.

Bron


Opgroeien

Voor een opgroeiend kind is het belangrijk dat het zich optimaal en gezond kan ontwikkelen. In die ontwikkeling spelen zowel aanleg als omgevingsfactoren een rol. Gedurende de levensloop beïnvloeden die elkaar wederzijds. Tijdens de zwangerschap en het eerste levensjaar vraagt vooral de gezondheid en de ontwikkeling van het kind de aandacht.

Zwangerschap en ontwikkeling van het kind

De kennis over de ontwikkeling van het ongeboren kind neemt toe. Daarbij gaat het niet alleen om kennis over erfelijke ziekten en de mogelijkheid om daarop te screenen. Bekend is ook dat angst, depressie en al dan niet chronische stress, inclusief werkstress, tijdens de zwangerschap een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van de foetus en na de geboorte op de fysieke, emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind (Van den Berg 2006, Vrijkotte e.a. 2009). De nadelige gevolgen daarvan kunnen doorwerken tot in de volwassenheid (Mennes 2008). Ook is er steeds meer kennis over de negatieve invloed die het gedrag van de aanstaande moeder heeft op de ontwikkeling van het ongeboren kind. Het gaat dan om de gevolgen van roken, stress, emotionele klachten (Bruijn e.a. 2009a, 2009b), drugs, alcohol, bepaalde medicijnen zoals antidepressiva, en loodvergiftiging. Ook het voedingspatroon van zwangeren en de invloed van overwicht zijn onderwerp van onderzoek.
Verder is ook het psychisch welbevinden van moeders tijdens de zwangerschap van belang voor de ontwikkeling van het (dan nog ongeboren) kind. Veel kinderen van vrouwen die tijdens de zwangerschap last hebben gehad van emotionele klachten (zoals angst of depressie), vertonen gedragsproblemen.(Bruijn 2010).

Deze kennisontwikkeling leidt tot kennisverspreiding en preventieve interventies. Zo pleit Van Keulen (2009) voor meer samenwerking tussen diëtist en verloskundige omdat het eetpatroon van sommige zwangere vrouwen niet optimaal is. En sommige verloskundigen houden kinderwensspreekuren om zo vroeg mogelijk voorlichting te geven over een gezonde zwangerschap.
Omdat emotionele problemen tijdens de zwangerschap het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, pleit De Bruijn (2010) ervoor dat verloskundigen alerter zijn op emotionele klachten bij zwangere vrouwen. Met behulp van screeningsvragenlijsten zouden verloskundigen bijvoorbeeld de zwangere vrouwen met verhoogde emotionele klachten kunnen doorverwijzen voor psychologische hulp.

Aandacht voor lager opgeleide vrouwen

Tussen hoog- en laagopgeleide mensen bestaan grote gezondheidsverschillen die ook zichtbaar zijn tijdens de zwangerschap. Zo blijkt dat laagopgeleide vrouwen vaker een problematische zwangerschap hebben dan hoogopgeleide vrouwen (Silva 2009). De gemeente Rotterdam heeft speciaal voor de laagopgeleiden een geboortecentrum geopend waar aanstaande moeders in een huiselijke omgeving onder begeleiding van hun eigen verloskundige kunnen bevallen als dat thuis niet mogelijk is.

Aandacht voor complicaties

Van de gevolgen van de bevalling op het kind zijn vooral complicaties onderzocht die van negatieve invloed kunnen zijn, zoals zuurstofgebrek, geelzucht, infecties en vroeggeboorte. Van de pasgeborenen heeft 1,5 procent een geboortegewicht van minder dan 1500 gram of een zwangerschapsduur van korter dan 32 weken. Vroeggeboren kinderen hebben vaker handicaps dan voldragen kinderen. De beperkingen liggen vooral op het gebied van bewegen, mentale ontwikkeling, functioneren van ogen en oren en de spraak- en taalontwikkeling. Vroeggeboorte komt vaker voor in combinatie met een hogere leeftijd van de moeder, een moeizamere hechting van ouders met het kind, geboorte- en thuiskomststress en gedragsproblemen (Van Keulen 2009).
Negatieve gebeurtenissen voor of vlak na de geboorte maken kinderen op latere leeftijd overgevoelig voor stress. Dat blijkt uit promotieonderzoek van N. Bosch (2011). Als negatieve gebeurtenissen noemt Bosch: stress van de moeder tijdens en na de zwangerschap, roken en alcoholgebruik van de moeder, vroeggeboorte, licht geboortegewicht en ziekenhuisopname van moeder of kind kort na de bevalling.
Onderzoek van Kersten (2011) wijst uit dat veel kinderen van moeders die depressief waren na de bevalling, op zesjarige leeftijd minder goed tegen stress kunnen; verder hebben zij dan vaker aanpassingsproblemen op school. Ook maken ze moeilijker contact met leeftijdgenootjes. Een vroege interventie, gericht op het contact tussen moeder en baby, kan gedragsproblemen bij de kinderen voorkomen en hen extra weerbaar maken.

Monitoring van de ontwikkeling van het kind

Een baby is nog geen minuut oud of hij krijgt al zijn eerste rapportcijfer: de Apgarscore. Deze score is een beoordeling van de lichamelijke conditie van de baby. Dit is de eerste van vele beoordelingen van de ontwikkeling van kinderen. Meestal worden kinderen vergeleken met gemiddelden die bij een bepaalde levensfase horen. Kennis van het normale ontwikkelingsverloop is dan ook van belang om een uitspraak te kunnen doen over de noodzaak van preventieve of therapeutische maatregelen. TNO volgt sinds 1955 de groei en ontwikkeling van Nederlandse kinderen en vertaalt de gegevens in monitoring-instrumenten voor professionals. TNO doet ook onderzoek naar 'evidence based' verwijscriteria voor ontwikkeling en biometrie. Voor de lengtegroei heeft TNO op basis van de resultaten van de landelijke groeistudies een groeicalculator voor professionals en een groeicalculator voor ouders ontwikkeld.

Stimuleren van borstvoeding

Borstvoeding heeft positieve effecten op de gezondheid van zowel het kind als de moeder. Zo hebben kinderen die vier maanden borstvoeding krijgen minder kans op astma dan kinderen die geen borstvoeding krijgen. Borstvoeding verkleint ook de kans op overgewicht bij kinderen. Daarvoor is ook de duur van de borstvoeding van belang. Hoe langer die duurt, des te kleiner de kans dat kinderen obesitas krijgen (Van Keulen 2009). Borstvoeding bezorgt de moeder een lagere kans op premenopausale borstkanker en reumatoïde artritis (Thijs e.a. 2006). Om optimaal te kunnen profiteren van de positieve gezondheidseffecten adviseert de WHO om kinderen tot de leeftijd van zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven. Het Voedingscentrum voert in opdracht van het ministerie van VWS campagne om borstvoeding te stimuleren.
Ruim 80 procent van de Nederlandse moeders begint met borstvoeding. Na drie maanden geeft nog ongeveer 30 procent van hen borstvoeding. De meerderheid van de moeders stopt binnen zes maanden met het geven van borstvoeding omdat zij het lastig vinden om dit te combineren met een baan (Vogel e.a. 2009). Voor meer informatie over beleid en uitvoering zie het RIVM Kompas.

Opgroeien als interactieve ontwikkeling

Het pasgeboren kind heeft voor zijn gezondheid en welbevinden op de eerste plaats behoefte aan adequate verzorging, een veilige omgeving en affectie, dat wil zeggen: geborgenheid, steun en begrip. Ouders spelen intuïtief én bewust op die behoeften in met een sensitief-responsieve houding. Daardoor stimuleren ze zijn ontwikkeling. Opgroeien en opvoeden zijn wederkerig processen. Een baby laat zijn behoeften blijken door lichaamshouding, gezichtsexpressie, oogcontact of wegkijken, glimlachen, sabbelen, geluidjes en huilen. Vanaf drie tot vier maanden begint het kind met het verkennen van de fysieke omgeving, onder andere door het vastpakken van voorwerpen. Met een maand of zes rollen baby's van buik naar rug en neemt hun bewegingsvrijheid toe. Dat mondt uit in het leren kruipen, staan en lopen. Vanaf de geboorte is een kind gericht op actieve interactie met de omgeving. Die interactie is het begin van zijn ontplooiing op verschillende ontwikkelingsdomeinen: de motorische, emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling.

Veilige hechting als basis

In de eerste jaren is de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie tussen kind en ouder cruciaal voor de ontwikkeling. Als ouders sensitief en responsief reageren op de behoeften en signalen van hun baby ontwikkelt het een basaal vertrouwen in de wereld en de mensen om zich heen. Dat is de basis van het zelfvertrouwen. 'Een baby die een betrouwbare en sensitieve opvoeding heeft ervaren, verwerft een gevoel van veiligheid in relatie tot de opvoeder. Het kind ontwikkelt een mentaal model waarin de opvoeder wordt gezien als iemand die in tijden van angst en spanning niet lang op zich laat wachten. Tegelijkertijd ontwikkelt het kind een beeld van zichzelf als iemand die bekwaam is om de omgeving naar zijn hand te zetten en de aandacht te krijgen die hij nodig heeft' (IJzendoorn 2008). Zie ook het dossier hechting en hechtingsproblemen.

Ouderliefde en hersenontwikkeling

De hersens van baby's ontwikkelen zich na de geboorte verder. Gaerhardt (2004) wijst erop dat een pasgeboren baby beschikt over een aantal kant-en-klaar systemen waarvan de meeste nog incompleet zijn en zich verder ontwikkelen in reactie op ervaringen. In de eerste drie levensjaren vindt een snelle ontwikkelling van het sociale brein plaats. Dat sociale brein regelt stressreacties en responsiviteit. Dat is de basis voor het emotioneel functioneren. De ontwikkeling van het brein hangt dus onder andere af van de vroege ervaringen die een kind opdoet. Als deze ervaringen problematisch zijn, dan kunnen bepaalde biochemische systemen ongunstig worden afgesteld. Ook de groei van het brein zelf, die de eerste achtien maanden het snelst is, kan niet goed verlopen als de baby niet in de juiste omstandigheden leeft om zich te ontwikkelen. Veiligheid, liefde en stuctuur zijn belangrijk voor de gezonde ontwikkeling, stelt Gaerhardt.

Shakenbabysyndroom

Het Shakenbabysyndroom is een vorm van fysieke kindermishandeling waarbij een baby hersenbeschadiging oploopt doordat het door elkaar wordt geschud. Voor meer informatie zie: shakenbabysyndroom in het dossier kindermishandeling.

Bronnen


Opvoeden

Een eerste baby vraagt de nodige zorg van onervaren ouders, gezondheid, slapen en huilen van baby's zijn belangrijke onderwerpen van het eerste levensjaar. Ouders ervaren veel stress op het gebied van hun fysieke en psychische gezondheid, de partnerrelatie en hun sociale activiteiten (Christie e.a. 2007).

Moeder worden

Vrouwen die de eerste keer moeder worden zijn het meest bezorgd over de gezondheid en het gedrag van het kind. Deze bezorgdheid kan in het begin gepaard gaan met gevoelens van onzekerheid, angst, er alleen voor staan en onbekwaamheid. Bij een tweede kind zijn moeders het meest bezorgd over de zorg voor het héle gezin en de balans tussen zorgtaken en arbeidstaken.

Het zelfvertrouwen van moeders

Wilkins (2005) stelt dat professionals zich zouden moeten richten op het versterken van het zelfvertrouwen van moeders en dat ze hen kunnen ondersteunen bij het opbouwen van hun eigen netwerk. Teveel schriftelijke of mondelinge informatie past niet bij de situatie van de meeste moeders. Wel hebben ze behoefte aan een luisterend oor voor hun persoonlijke vragen, 'praktische tips' en 'aanwijzingen' die hierop aansluiten.

Meer aandacht voor vaders

Goodman (2005) bepleit dat professionals meer aandacht gaan besteden aan de betrokkenheid van de vader bij de dagelijkse zorg voor het kind. Verder geeft Engels onderzoek (Fatherhood Institute, 2010) aan dat er indicatie bestaat dat vaders last kunnen hebben van depressie na de bevalling en bij het opgroeien van het kind. Een op de vijf vaders heeft, voor het kind 12 is, door het ouderschap last van depressie; 4 procent had een depressie in het eerste jaar na de geboorte (Paulsen 2010).

Op elkaar leren inspelen

Opgroeien en opvoeden zijn interactieve processen waarin kind en ouder elkaar wederzijds beïnvloeden. De stappen die een kind moet nemen in zijn ontwikkeling worden wel 'ontwikkelingstaken' genoemd. Complementair hieraan hebben ouders opvoedingstaken. In de eerste jaren staat de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie tussen kind en ouder centraal. In deze periode moeten de opvoeders sensitief en responsief reageren op de behoeften en signalen van het kind. In meerdere studies wordt benadrukt dat 'veiligheid bieden, verzorgen en zicht krijgen op het kind' in de babytijd op de eerste plaats komen (Van der Pas 2003). Ouders maken zich in het eerste levensjaar vooral zorgen over de gezondheid van hun kind.

Slapen van baby's

Naast de gezondheid van het kind zijn slaap- en huilproblemen een van de onderwerpen waarover ouders van baby’s de meeste vragen hebben. Ongeveer een kwart van de ouders ervaart dat hun kind slaapproblemen heeft. Pasgeboren baby's hebben een ander dag- en nachtritme dan volwassenen. Gemiddeld genomen slapen baby's van 3 tot 4 maanden zes uur aaneengesloten. Dat is nog altijd twee uur minder dan de nachtrust van veel volwassenen. Onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld bij ziekte, kunnen baby's en peuters moeilijk inslapen en slaapstoornissen hebben. De oorzaken kunnen liggen in de spijsvertering of een voedselallergie. Een gebrek aan gewoontevorming door ouders kan slaapproblemen in stand houden. Een duidelijk bedritueel kan helpen de wereld voorspelbaar te maken voor het kind. Een baby is gebaat bij regelmaat en voorspelbaarheid (GGD Groningen).
In het kader van het ZonMw programma Zorg voor Jeugd worden in de JGZ laagdrempelige verpleegkundige interventiemethoden ontwikkeld voor slaapproblemen van jonge kinderen. Het NJi-dossier Opvoedvragen besteedt aandacht aan dit onderwerp bij Gezondheid en lichamelijke ontwikkeling.

Huilbaby's

Van een 'huilbaby' is sprake wanneer een kind meer dan drie uur per dag voor meer dan drie dagen per week en langer dan drie weken huilt. Onderzoek van Van Sleuwen e.a. (2008) laat zien dat een aanpak van regelmaat en prikkelreductie de huilduur met ongeveer de helft kan verminderen. Onderdeel van deze aanpak is het 'in slaap laten huilen'. Toen dit element opgenomen werd in de RIVM-conceptrichtlijn over excessief huilen tekende het Nederlands Instituut van Psychologen er bezwaar tegen aan. Het in slaap laten huilen zou negatieve psychische of neuropsychologische gevolgen hebben. Op het ogenblik wordt gewerkt aan een nieuwe multidisciplinaire richtlijn.

Bronnen


Partnerrelatie

Veranderende partnerrelatie

Goodman (2005) vindt dat professionals meer aandacht zouden moeten besteden aan de partnerrelatie. In Nederland is dat een nog bijna onontgonnen terrein. Ten onrechte, want uit Engelstalig onderzoek blijkt dat de geboorte van het eerste kind ingrijpende gevolgen heeft voor de partnerrelatie.

Grootste transitie

De geboorte van het eerste kind brengt zoveel veranderingen teweeg dat het in diverse studies beschouwd wordt als de meest ingewikkelde transitie of overgang die een paar doormaakt. Het maakt daarbij niet uit of de toekomstige ouders positief staan tegenover het ouderschap en of ze al anticiperen op een ander leven. Na de geboorte van het kind passen oude leefpatronen niet meer bij de nieuwe situatie en moeten de partners nieuwe leefpatronen ontwikkelen (One plus One 2006). 'Kinderen betekenen meer emotionele banden en markeren het begin van een, levenslange, nieuwe rol.' (Evenblij 2009). In de zwangerschapsperiode en de postnatale periode is er een groter risico op huiselijk geweld (One plus One 2006).

Relatie op een laag pitje

De geboorte van een kind heeft vaak tot gevolg dat de relatie op een laag pitje komt te staan. Paren concentreren zich op het aanpassen van hun leven aan de nieuwe situatie. Onzekerheid over het ouderschap, de combinatie van arbeid en zorg, en de behoeften van een jong kind reduceren de tijd en de mogelijkheid die de partners hebben om hun relatie te onderhouden (Cowan en Cowan 2003). Wanneer vaders meer betrokken zijn bij de zorg voor het kind, voelen mannen zich beter en voelt de moeder zich beter gesteund (Cowan 1999).

Minder tevreden

Veel ouders verwachten dat het kind hen dichter bij elkaar zal brengen. Maar uit een literatuuronderzoek van One plus One blijkt dat paren na het krijgen van het kind juist minder tevreden zijn over hun relatie. Ouders voelen zich na de komst van het kind in het algemeen minder gelukkig dan in de periode van de zwangerschap (Doss 2009, Schulz 2006, Cowan 1999). Voor vrouwen daalt de tevredenheid over de relatie al tijdens de zwangerschap en vlak na de geboorte van het kind. Keizer concludeert uit onderzoek dat de dalende tevredenheid over de relatie vooral optreedt bij vrouwen die hun deeltijdbaan opgeven om thuis te blijven (Evenblij 2009). Bij mannen daalt de tevredenheid minder en treedt deze daling later op, vaak in het tweede levensjaar van het kind (One plus one 2006). De kwaliteit van de relatie na de geboorte van het kind hangt af van de kwaliteit van de relatie voor de geboorte van het kind. De komst van een kind brengt paren met veel conflicten niet dichter bij elkaar, maar drijft paren met een goede relatie ook niet uit elkaar. Als de ouders het niet met elkaar eens zijn over de kinderwens, dan kan dat het risico op het ontstaan van conflicten verhogen (One plus one 2006).

Meerdere spanningsbronnen

Uit onderzoek (Clulow 1996) blijkt dat ouders minder tevreden zijn over de kwaliteit van hun relatie omdat ze spanningen ervaren rond de taakverdeling in de zorg voor het kind, het huishouden, vrijetijdsbesteding, geld en seksualiteit. Meijer en Wittenboer (2007) constateren dat hoe meer baby’s ’s nachts huilen, des te meer ouders, en vooral moeders, ontevreden zijn over hun relatie.

Taakverdeling

Een goede taakverdeling tussen de ouders vervult een bufferfunctie bij de vervulling van het ouderschap (Van der Pas 2005). Deze taakverdeling tussen de vader en de moeder betreft de dagelijkse verzorging van de kinderen, als alle soorten van steun en verantwoordelijkheid. (En daarnaast dient deze taakverdeling zich ook in brede zin uit te breiden over de sociale netwerken rondom het gezin).

De geboorte van het eerste kind heeft nog steeds een grote invloed op de taakverdeling van echtparen in Nederland. Onderzoek van Wiesmann (2010) verduidelijkt waarom de taakverdeling zich nog steeds ontwikkelt in de richting van een klassieke taakverdeling. Het dilemma van veel ouders is dat ze aan de ene kant een gelijkwaardige verdeling van betaald en onbetaald werk voorstaan, maar tegelijkertijd zich vaker eindverantwoordelijk voelen voor hun klassieke, seksespecifieke taken

Bronnen


Netwerk

Het hebben van een opvoednetwerk is een belangrijke beschermende factor tegen het ontstaan van opvoedproblemen.

Het belang van het opvoednetwerk

De biologe en antropologe Hrdy (2009) onderbouwt dat vrouwen al vanaf de oudheid na de bevalling en in de eerste levensfase van het kind behoefte hebben aan de steun van andere vrouwen. Zij maakt het aannemelijk dat mensen menselijk werden doordat ze samen de kinderen gingen voeden en verzorgen.
Beginnende ouders willen het juiste doen: voor hun kind, voor zichzelf en ook door de ogen van de samenleving. 'Meer mededogen met ouders en zicht hebben op hun leerproces is wenselijk om beginnende ouders te steunen in hun ouderschapsgroei. Een solidaire gemeenschap is essentieel voor het opdoen van 'goede ouder'- ervaringen' (Hoek 2010).
Prille moeders zoeken contact met andere vrouwen die net zijn bevallen, bijvoorbeeld vrouwen die ze kennen van zwangerschapgymnastiek of uit het ziekenhuis. Van der Pas (2005) ziet sociale steun en een solidaire samenleving die oog heeft voor de kwetsbaarheid van ouders, als buffers tegen de invloed van tegenslag op de dagelijkse opvoeding. In de praktijk wordt netwerkvorming gestimuleerd door groepsgesprekken op consultatiebureaus/Centra voor Jeugd en Gezin en de kinderopvang, onderling contact op internet, zoals de fora op Ouders Online, en interventies zoals Home-Start en Moeders informeren Moeders.

Meer aandacht voor opvoednetwerk in beleid

In het advies 'Investeren in kinderen' (2009) bepleiten de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg meer aandacht voor de sociale inbedding van gezinnen in de maatschappij. Ze baseren zich op buitenlands onderzoek waaruit blijkt dat sociale netwerken een positief effect hebben op de opvoedkwaliteit van ouders en het opgroeiklimaat voor kinderen. In zijn reactie op het advies heeft minister Rouvoet verklaard dat hij met zijn beleid gezinnen in hun sociale omgeving positief wil versterken. De Centra voor Jeugd en Gezin gaan een belangrijke rol vervullen in de versterking van de sociale samenhang en leefbaarheid (Rouvoet 2009). Ook stelt het kabinet tot en met 2011 6 miljoen euro per jaar beschikbaar voor het programma Vrijwillige inzet voor en door jeugd en gezin. Dat programma is gericht op versterking van de pedagogische 'civil society' op lokaal niveau. Het programma is ontwikkeld door ZonMw, Movisie en het Nederlands Jeugdinstituut.

Hoge verwachtingen

Hoge maatschappelijke verwachtingen maken het moeilijker voor ouders om vragen te stellen over ouderschap en opvoeden. Ouders willen 'het goede' doen. In hun oordeel over hun eigen gedrag spelen niet alleen hun eigen normen een rol, maar ook maatschappelijke verwachtingen. De verwachtingen die de maatschappij heeft van gezinsopvoeding zijn groot. Ouders moeten hun kinderen tot goede burgers opvoeden (Hoek 2008, CBS burgerschappannel 2009). Ook bestaat er een ideaalbeeld van de 'goede moeder' en hangen er rond zwangerschap en kinderen krijgen veel roze wolken. Moeders moeten vooral genieten van hun kind (Castelein 2009). Deze opvattingen geven de ouders, en vooral de moeders, weinig ruimte om te praten over wat hen tegenvalt en over andere negatieve gevoelens.

Behoefte om uit te wisselen

Na de geboorte van hun kind zoeken ouders naar informatie en hebben ze grote behoefte ervaringen van anderen te horen, stellen de baby-deskundigen Vanderhaegen en Mossou (Spencer 2006). Deze ervaringen van anderen vormen voor ouders een referentiekader. Daarnaast hebben ouders vooral behoefte aan een luisterend oor. Ze willen praten over hun intense belevingen, zich uiten, ervaringen delen en verwerken, en nieuwe energie opdoen. Moeders ervaren deze contacten als emotionele en praktische steun. Hoek (2008) verduidelijkt dat ervaringen uitwisselen het leerproces van ouders stimuleert.

Eenzaamheid van prille ouders

Door de zorg en de verzorging van het jonge kind hebben ouders minder tijd voor contacten met de buitenwereld. Door de geboorte van een kind wordt de wereld van ouders kleiner. Ouders voelen zich verantwoordelijk, stellen vaak hoge eisen aan zichzelf en zijn, zeker bij het eerste kind, onzeker omdat zij een nieuw leven met een kind moeten vormgeven. Daardoor bestaat de kans dat een gezin in deze fase geïsoleerd raakt.

Voorkeur voor eigen familie

Ouders bespreken hun vragen het liefst met hun partner, hun vriendinnen of iemand uit hun familienetwerk (De Jongh en Vlek 2009). Uit onderzoek van E-Quality blijkt dat ongeveer de helft van de ouders hun opvoedvragen niet met mensen buiten het gezin bespreekt. Laagopgeleide moeders en migrantenmoeders bespreken hun vragen nog minder vaak buiten hun gezin of familie. Na de geboorte van het kind trekken familiebanden aan. De kwaliteit van deze relaties verandert meestal niet. Ze blijven meestal even goed, slecht of ambivalent als ze al waren (One plus One 2006). De meeste vrouwen hebben behoefte aan steun van hun eigen moeder. Maar niet alle vrouwen kunnen en willen contact hebben met hun moeder, bijvoorbeeld omdat hun relatie te ingewikkeld is. Het is onbekend hoeveel moeders een moeizame relatie hebben met hun eigen moeder. Uit onderzoek van Kretchmar en Jacobvitz (2002) blijkt dat prille moeders ruimte krijgen voor het opbouwen van een sensitieve relatie met hun baby door afstand te nemen van hun eigen moeder.

Bronnen


Tijdsbesteding

De komst van het eerste kind brengt vooral voor moeders veranderingen in hun tijdsbesteding mee. De combinatie van werk en gezin leidt ertoe dat vrouwen minder gaan werken of stoppen met werken, terwijl het arbeidspatroon van vaders nauwelijks verandert. Dat verschil tussen mannen en vrouwen gaat vaak gepaard met een ongelijke taakverdeling tussen mannen en vrouwen in huishouden en zorg. Tenzij de grootouders bijspringen. Meer informatie over werk en ouders in het algemeen staat in het dossier Werkende ouders.

Meer moeders blijven even lang werken

De geboorte van hun eerste kind is voor vrouwen steeds minder vaak een reden om minder uren te gaan werken. In de periode 2006-2008 bleef 40 procent van de jonge moeders hetzelfde aantal uren werken. Een aantal jaren daarvoor was dit 34 procent.
Het aandeel moeders dat minder uren ging werken nam af van 36 naar 31 procent. Het percentage moeders dat volledig stopt met werken daalde van 13 naar 10 procent. Een constante 15 procent van de moeders had zowel voor als na de geboorte geen betaald werk (CBS 2009). Zie ook het dossier Werkende ouders.

Werkweek tussen 20 en 27 uur populair

De komst van het eerste kind is vooral bij vrouwen met fulltimebanen van invloed op de arbeidsduur. Van de vrouwen die in de periode 2006 tot 2008 moeder zijn geworden, werkte 43 procent voor de geboorte fulltime. Kort na de geboorte werkte 18 procent fulltime, maar dit percentage daalde naar 10 procent bij moeders met een kind van 1 of 2 jaar oud. Een mogelijke verklaring voor deze verdere afname is dat de contractuele arbeidsduur pas wordt verkort nadat het ouderschapsverlof gebruikt is. Een arbeidsduur tussen 20 en 27 uur per week blijkt het populairst onder moeders (CBS 2009).

Lageropgeleide moeders werken minder

Vooral laagopgeleide moeders stoppen met werken na geboorte eerste kind. In de periode 2007-2009 stopte gemiddeld 27% van de laagopgeleide vrouwen met werken na de geboorte van het eerste kind, wat veel vaker is dan onder de middelbaar of hoogopgeleide moeders (12% en 6%). Daarnaast ging 37% van de laagopgeleide moeders minder uren werken na de komst van de eerste. Middelbaar opgeleide moeders blijven ongeveer even vaak hetzelfde aantal uren werken als dat zij minder uren gaan werken. Van de hoogopgeleide moeders blijft 58% evenveel uren werken. (Emancipatiemonitor 2010).

Eerste kind grootste verandering

Het arbeidspatroon van moeders verandert het sterkst bij de geboorte van het eerste kind. Als er meer kinderen komen of als de kinderen ouder worden, zijn de veranderingen minder groot. Zo gaat na de geboorte van het tweede kind 12 procent van de moeders minder werken of stoppen met werken. En na het derde kind of meer stopt nog eens 9 procent (Mol 2008).

Invloed leeftijd kind

Minder dan tien procent van de moeders gaat meer of minder werken als de kinderen ouder worden. Daardoor verandert de gemiddelde arbeidsduur van vrouwen met ouder wordende kinderen minimaal (Mol 2008).

Arbeidspatroon vaders

Mannen veranderen hun arbeidsduur nauwelijks na de geboorte van hun eerste kind. Tussen 2006 en 2008 bleef 87 procent van de vaders hetzelfde aantal uren werken. Slechts 5 procent ging minder werken. Van alle jonge vaders heeft 85 procent een fulltimebaan en 8 procent een grote deeltijdbaan van tussen de 28 en 34 uur (CBS 2009).

Totale tijdsbesteding neemt toe

Onderzoekers verstaan onder de 'totale tijdsbesteding' van mensen de optelsom van betaalde en onbetaalde arbeid. Deze totale tijdsbesteding van paren zonder kinderen ligt voor mannen en vrouwen rond de 51 uur. Dat is lager dan de totale tijdsbesteding van paren met kinderen. Voor paren met een kind onder de 5 jaar ligt de totale tijdsbesteding van vrouwen 10 uur hoger en bij mannen 13 uur hoger dan bij paren zonder kinderen. Dat komt doordat ouderparen veel meer tijd besteden aan onbetaald werk dan kinderloze paren (Emancipatiemonitor 2008).

Moeders doen meer aan huishouden en zorg

Gemiddeld besteden moeders volgens de Emancipatiemonitor (2008) twee keer zoveel tijd aan huishoudelijk werk en aan zorg voor leden van het gezin dan vaders. De totale tijdsbesteding aan onbetaalde en betaalde arbeid van vaders is drie uur meer dan bij moeders. Van paren met een jongste kind tussen de 0 en 5 jaar is de taakverdeling als volgt:

Totstandkoming taakverdeling

Stefanie Wiesman (2010) onderzocht de totstandkoming van de taakverdeling van echtparen bij de geboorte van het eerste kind. Zij noemt in haar proefschrift 'Negotiation in couples' transition to parenthood' drie mechanismes die bijdragen aan het ontstaan van een klassieke taakverdeling tussen mannen en vrouwen. Ten eerste bespreken de paren weinig expliciet hun wensen en verwachtingen over de taakverdeling als ouders. Ten tweede ontstaat er een proces waarbij de moeder verlof heeft en vader weer snel gaat werken. Hierdoor kan de moeder meer ervaring opbouwen in de verzorging van het kind en zo wordt zij ook na het verlof hoofdverantwoordelijke voor de zorg. Een derde belangrijke oorzaak is de ambivalente gevoelens van jonge moeders en vaders. Aan de ene kant willen zij een gelijke verdeling van arbeid en zorg, maar tegelijkertijd voelen ze zich vaker eindverantwoordelijk voor hun klassieke, seksespecifieke taken. Het onderzoek van Wiesman sluit aan bij een kwalitatief onderzoek van de voormalige Nederlandse Gezinsraad. Zij concludeerde in 2003 dat naarmate partners een gelijkere verdeling van de taken nastreven ze vaker praten over dit onderwerp. Over het algemeen vinden deze gesprekken vooral vlak voor of na de geboorte plaats. Ze blijven echter beperkt tot de zorgtaken, terwijl de verdeling van de extra huishoudelijke taken niet aan de orde komt.

Evenredige taakverdeling

Paren die een gelijke taakverdeling nastreven hebben meer overleg over alledaagse zaken, zoals wie de boodschappen doet, wie het kind haalt en brengt en wie er voor het zieke kind zorgt. Partners met een vaste taakverdeling hebben minder afstemmingsmomenten en daardoor ook minder overleg (NGR 2003).

Grootouders springen bij

Moeders met jonge kinderen werken aanzienlijk meer uren wanneer de grootouders hen huishoudelijk werk uit handen nemen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Anne van Putten (2009). Kennelijk heeft het betaald werken van moeders niet alleen met de kinderopvang te maken, maar ook met het uit handen kunnen geven van het huishouden.

Bronnen


Inkomsten en uitgaven

De geboorte van een kind beïnvloedt de bestedingsmogelijkheden van ouders. De inkomsten en daarmee de koopkracht dalen omdat moeders vaak minder gaan werken. Tegelijkertijd stijgen de uitgaven omdat de zorg voor een kind geld kost. Deze pagina gaat over de kosten van de zorg voor kinderen en de uitkeringen en belastingkortingen die de overheid aan ouders verstrekt.

Koopkrachtdaling

De geboorte van het eerste kind gaat gepaard met koopkrachtverlies. Over de omvang van dat verlies zijn verschillende gegevens bekend. Bos en Hooghiemstra (2004) noemen op basis van CBS-gegevens een gemiddelde teruggang in koopkracht van 20 procent. Niet iedereen heeft evenveel last van deze inkomensdaling. Zo heeft tien procent van de huishoudens niet te maken met dit zogenaamde 'gezinsdal'. Bij eenderde van de huishoudens daalt de koopkracht met eenderde of meer. Het Nibud (2009) meldt op basis van een enquete onder ouders dat bijna de helft van de onderzochte gezinnen na de geboorte een lager inkomen heeft. Eenderde van de ouders vindt het moeilijk om rond te komen. Een kwart van de ouders stelt dat ze niets meer aan zichzelf kunnen uitgeven. Van de ouders vindt 70 procent dat je met kinderen meer bezig bent met het plannen van je geld dan wanneer je geen kinderen hebt.

Inkomensdaling van vrouwen

Vooral vrouwen gaan minder werken na de geboorte van het eerste kind (zie: Tijdsbesteding). Volgens Bos daalt het gemiddelde inkomen van vrouwen met 28 procent en stijgt het inkomen van mannen met 2 procent. Wat de inkomensgevolgen zijn van meer of minder werken kunnen mensen berekenen via werk + geld van het Nibud.

Kosten van een kind

Volgens het CBS (2004) geven paren met één kind gemiddeld 18 procent van hun totale bestedingen uit aan hun kind. Bij twee kinderen stijgt dit percentage naar 27 procent en bij drie kinderen naar 33 procent. Volgens een onderzoek van het Nibud is 56 procent van de ouders na de geboorte van een kind meer gaan uitgeven. Slechts 12 procent is minder gaan uitgeven en 15 procent weet het niet. Het meeste extra geld gaat naar energie, kleding en uitstapjes.
Nibud vroeg ouders of ze kinderen als duur ervaren. 'Niet zo duur als altijd wordt beweerd' zegt 46 procent van de ouders. "Wel zo duur als wordt beweerd' vindt 48 procent.

Belasting- en inkomstenregelingen

De Nederlandse overheid geeft ouders op twee manieren financiële steun voor het levensonderhoud van kinderen. Ten eerste via speciale uitkeringen zoals kinderbijslag en sinds 2008 de kindertoeslag. Daarnaast ontvangen veel ouders extra kortingen op de te betalen belastingen.

Kinderbijslag
Alle ouders krijgen jaarlijks van de overheid een vaste bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van kinderen van 0 tot 18 jaar. De hoogte is afhankelijk van de leeftijd van het kind. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) neemt na de geboorteaangifte bij de gemeente binnen twee tot vier weken automatisch schriftelijk contact op met de ouders over het aanvragen van kinderbijslag.

Overige regelingen
In de dossiers Werkende ouders en Tienerouders leest u meer over toeslagen en kortingen voor ouders.

Bronnen


Praktijk

De zwangerschapsperiode en het eerste levensjaar van een kind is een roerige periode. In het leven van ouders en kinderen kan er van alles gebeuren waardoor zij in deze fase extra kwetsbaar zijn. Soms zijn daarom effectieve preventieve en curatieve interventies nodig op het gebied van opvoedingsondersteuning, gezondheidsbevordering, ontwikkelingsstimulering en intensieve pedagogische thuishulp. Hoewel bij deze intenventies de nadruk duidelijk ligt op het voorkomen van riskante situaties voor ouders en kinderen, hebben professionals ook instrumenten nodig om bepaalde risico's op te sporen. Zo bestaat er bijvoorbeeld een instrument voor screening op geweld tijdens de zwangerschap. De andere beschreven instrumenten zijn bedoeld voor toepassing in het eerste levensjaar. Ze zijn gericht op de ontwikkeling van het kind, het gezinsfunctioneren en het risico op kindermischandeling. Verder kunnen professionals richtlijnen en protocollen gebruiken voor de monitoring en begeleiding van tienermoeders en gezinnen met jonge kinderen.


Erkende interventies

De Raad van Europa ziet ouderondersteuning als een continuüm dat loopt van formele steun door professionals via semiformele steun door lokale groepen en diensten van paraprofessionals, naar informele steun door familie en vrienden (Daly, 2007).

De laatste decennia zijn er veel interventies ontwikkeld om ouders te ondersteunen, maar niet alle activiteiten en programma’s zijn onderzocht op hun effectiviteit. Op het ogenblik wordt gewerkt aan een Richtlijn opvoedingsondersteuning in de JGZ. Afhankelijk van de lokale situatie gaat het daarbij onder andere om signalering, opvoedingsvoorlichting, pedagogische advisering en lichte hulp, praktische steun, sociale steun, zelfhulp, ontwikkelingsstimulering, preventie en hulp.

Prinsen en Ridderhof hebben in 2005 een verkennende studie gepubliceerd naar programma's voor ouders rondom de geboorte en het opgroeien van hun eerste kind. In 2006 verscheen een overzicht van veelbelovende praktijken in de JGZ (Prinsen, 2006).

Soorten interventies

De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.

De meeste erkende interventies zijn preventief en bedoeld om problemen met opgroeien en opvoeden te voorkomen. Er zijn echter ook erkende interventies om problemen te verminderen of verhelpen. De interventies zijn verder te onderscheiden naar doelgroep en problematiek. Veel interventies zijn bedoeld om ouders te ondersteunen bij hun opvoedtaken. Dit kunnen oudercursussen zijn voor een brede doelgroep, maar ook specifieke trainingen voor speciale risicogroepen, zoals ouders met psychiatrische problematiek. Andere interventies zijn bedoeld om de gezondheid van het kind te bevorderen of de ontwikkeling te stimuleren.

Voor gezinnen met zwaardere en vaak complexe problematiek zijn er interventies die intensieve pedagogische thuishulp bieden, waarbij de leeftijd van de kinderen kan variëren tussen 0 en 18 jaar. Eén van deze interventies (Families First) is specifiek gericht op crisisbeheersing.

Opvoedingsondersteuning

Gezondheidsbevordering

Ontwikkelingsstimulering

Intensieve pedagogische thuishulp

Bronnen


Instrumenten

De geboorte van een kind is een ingrijpende gebeurtenis in een gezin. Beroepskrachten kunnen verschillende instrumenten gebruiken om risico's in de zwangerschap, de ontwikkeling van het kind en het gezinsfunctioneren in kaart te brengen en om kindermishandeling op te sporen. Alle instrumenten die hier hieronder worden genoemd zijn toepasbaar in het eerste levensjaar van het kind.

Eén instrument kan specifiek worden ingezet tijdens de zwangerschap, namelijk de Vragenlijst Screening Geweld in de Zwangerschap. Het doel van de vragenlijst is het achterhalen van verschillende vormen van mishandeling van de aanstaande moeder.

Andere instrumenten brengen de ontwikkeling van het pasgeboren kind in kaart. De jeugdgezondheidszorg werkt bijvoorbeeld met de Bayley Scales of Infant Development (BSID-II-NL) en het Van WiechenOnderzoek (VWO). Ook voor de kinderopvang zijn instrumenten beschikbaar om de ontwikkeling van het kind te volgen, namelijk Doen, Praten en Bewegen, Focus op Kinderen, Kijk! en het Ontwikkelingsvolgmodel (OVM).

Instrumenten die het gezinsfunctioneren in kaart brengen zijn: Nijmeegse Vragenlijst voor de Opvoedingssituatie (NVOS) en de Vragenlijst voor Gezinsproblemen (VGP).

Tot slot zijn er ook instrumenten die zich richten op het risico op kindermishandeling, namelijk: Child Abuse Potential Inventory (CAPI), Child Abuse Risk Evaluation (CARE-NL) en de SPUTOVAMO.

Hieronder vindt u een selectie van beschrijvingen uit de databank Instrumenten en Richtlijnen.


Richtlijnen

Professionals kunnen verschillende protocollen en richtlijnen gebruiken voor de monitoring en begeleiding van gezinnen met pasgeboren kinderen.

Tijdens de zwangerschap kan één specifiek protocol worden ingezet, namelijk het Protocol schoolgaande zwangeren en tienermoeders. Het protocol helpt scholen te voorkomen dat tienermoeders voortijdige schoolverlaters worden.

In de jeugdgezondheidszorg bestaan er verschillende richtlijnen voor pasgeboren kinderen, namelijk: de JGZ-richtlijn Preventie Wiegendood, de JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen, de Richtlijn Contactmomenten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg, het Handboek Eenheid van Taal, de Richtlijn na het overlijden van minderjarigen en de JGZ-richtlijn Begeleiding gezin bij overlijden kind.

Tot slot zijn er verschillende protocollen en richtlijnen voor het handelen bij een vermoeden van kindermishandeling, namelijk: de JGZ-richtlijn Secundaire Preventie Kindermishandeling, Vermoeden kindermishandeling: Protocol voor gastouderbureau, het Protocol van handelen voor AMK medewerkers, de Meldcode Kindermishandeling, de Meldcode Kindermishandeling van de KNOV en de Meldcode Kindermishandeling van de KNMG.

Hieronder vindt u een selectie van beschrijvingen uit de databank Instrumenten en Richtlijnen.


Voorzieningen

Diverse voorzieningen leveren ondersteuning rondom de geboorte van kinderen. Sommigen vooral voorafgaand aan de geboorte, sommigen vooral daarna.

Er zijn organisaties die zich bezighouden met zwangerschapswens of ongewenste zwangerschappen. Het Fiom richt zich bijvoorbeeld specifiek op jong ouderschap en ongewenste zwangerschap. Een abortuskliniek geeft ook advies en behandeling bij ongewenste zwangerschap. En steeds meer verloskundigen­praktijken geven advies aan mensen die nog niet zwanger zijn, maar het wel willen worden. Net als de huisarts, die hierin ook begeleiding kan bieden.

Tijdens de zwangerschap begeleidt een verloskundige of (in een enkel geval) een huisarts de zwangere. Maar als er sprake is van een medische indicatie, dan wordt de zwangere doorverwezen naar een gynaecoloog en begeleid in het ziekenhuis. De bevalling kan naar keuze thuis, in het ziekenhuis (onder begeleiding van de eigen verloskundige) of in een kraamhotel gebeuren. De bevalling gebeurt in het ziekenhuis als de zwangere onder controle is van een gynaecoloog.

Na de geboorte hebben moeder en kind recht op kraamzorg tot maximaal tien dagen na de bevalling. Deze wordt door kraamcentra geleverd, maar ook veel thuiszorgorganisaties bieden dit aan. In verband met borstvoeding kan hulp van een lactatiekundigenpraktijk worden ingeschakeld. Na de geboorte komt ook het consultatiebureau in beeld. Deze biedt de medische basiszorg en preventie voor kinderen vanaf 0 tot vier jaar. Ook zijn er moeder- en vadercentra voor ouders die behoefte hebben aan informatie of begeleiding.

Informatie over organisaties

Beschrijvingen van betrokken organisaties, afkomstig uit het Overzicht van de jeugdsector dat u elders op deze site kunt raadplegen:


Beleid

Beleid rond de geboorte van een kind wordt op diverse niveaus gemaakt en kan verschillende doelstellingen hebben. Zo wordt op Europees niveau onderkend dat gezinsbeleid kan bijdragen aan een hoger geboortecijfer. Nederland voert zo'n bevolkingspolitiek niet.
Het rijk maakt familiebeleid en jeugdgezondheidsbeleid, dat vooral op gemeentelijk niveau wordt uitgevoerd. 
De provincie is via de Wet op de Jeugdzorg betrokken bij de zorg voor gezinnen waarin ouders niet in staat zijn om goed voor hun kinderen te zorgen.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming van de Centra voor Jeugd en Gezin en de uitvoering van jeugdgezondheidszorg. 


Rijksbeleid

Belangrijke onderwerpen in het nationale beleid rond de geboorte zijn:

Ouderlijk gezag

De wet geeft als omschrijving van ouderlijk gezag: de plicht en het recht om een minderjarig kind, een kind jonger dan 18 jaar, te verzorgen en op te voeden (Burgelijk Wetboek, artikel 247 lid 1 Boek 1). Onder opvoeden vallen naast het verschaffen van onderdak, voeding en verzorging ook zaken als de keuze van de woonplaats, de schoolkeuze, de toestemming voor medische behandeling, de beslissing over de toetreding tot een kerkgenootschap en het aanvragen van een paspoort. Ook het beheer van de financiën van de minderjarige is onderdeel van het gezag. Daarnaast zijn de ouders de wettelijke vertegenwoordiger van het kind en hebben zij een onderhoudsplicht totdat het kind 21 jaar wordt. Bij onenigheid tussen ouders over de uitoefening van hun gezag, kunnen zij hun meningsverschil aan de rechter voorleggen. Uitgangspunt is dat het gezag wordt uitgeoefend in het belang van het kind. Dit is in overeenstemming met de Universele verklaring van de Rechten van het Kind. 'Ouders (...) hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikeling van het kind (artikel 18, lid 1).
Op de website van de rijksoverheid vindt u meer informatie over erkenning en gezag.

Erkenning binnen een huwelijk

De juridische band tussen vader en kind ontstaat wanneer de vader het kind erkent. De wettelijke erkenning van het ouderschap wordt ook wel de 'familierechtelijke betrekking' genoemd. Door deze juridische band is de vader verplicht het kind te onderhouden en krijgt het kind recht op zijn nalatenschap. Om erkend te worden als ouder is de vader verplicht binnen drie dagen na de geboorte bij de gemeente aangifte te doen van de geboorte van zijn kind. Als de vader ontbreekt of verhinderd is, moet iemand die bij de bevalling van het kind aanwezig is geweest, de aangifte doen. De moeder wordt automatisch door de wet erkend als ouder.
Meer informatie over erkenning vindt u op de website van de Rijksoverheid.

Erkenning buiten een huwelijk

Ook een man die niet getrouwd is met de moeder van een kind kan officieel het vaderschap op zich nemen door het te erkennen. Dit kan al voor de geboorte gebeuren en heet dan het 'erkennen van de ongeboren vrucht'. Hiervoor kunnen beide ouders bij de rechtbank een verzoekschrift indienen.
Meer informatie over naamswijziging vindt u op de website van de Dienst Justis, de screeningsautoriteit van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Gezag en homo-ouderschap

Als twee vrouwen een kind krijgen, komt het kind op naam van de biologische moeder te staan. De zorgmoeder die ook de dagelijkse zorg voor het kind voor haar rekening neemt, krijgt niet automatisch een juridische relatie tot het kind, ook niet als zij getrouwd is met de biologische moeder. Door veranderingen in het familierecht is het wel mogelijk het gezag goed te regelen.

Achternaamkeuze

Ouders kunnen samen kiezen welke achternaam hun eerste kind krijgt. Dat kan de naam van de moeder óf van de vader zijn. Deze keuze is eenmalig en geldt voor alle volgende kinderen in het gezin. Ook ouders die niet getrouwd zijn, kunnen kiezen tussen de achternaam van de moeder en die van de vader. Deze keuze vindt plaats bij de erkenning door de vader. Kiezen zij voor de achternaam van de vader, dan moeten zij hierover samen een verklaring afleggen voor de burgerlijke stand.
Meer informatie: ministerie van Justitie.

Uitstellen en afstellen van moederschap

De nota gezinsbeleid 2008 met de titel 'De kracht van het gezin', van het kabinet Balkenende IV, ging in op onderwerpen als afnemende vruchtbaarheid vanaf het dertigste levensjaar, de stijgende leeftijd van de moeder bij de geboorte van het eerste kind, het aantal gewenste kinderen, de gerealiseerde kinderwens en kinderloosheid. De nota bouwt voort op het rapport van Raad voor de Volksgezondheid en Zorg 'Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem?' (2007). De beleidsmaatregelen van het ministerie waren gericht op het verspreiden van informatie over de medische gevolgen van het uitstel van ouderschap. Die kennis kunnen mensen benutten bij hun keuze over het moment waarop zij kinderen willen krijgen.
In 2010 berekende ivf-arts De Graaff de kosten van zwangerschap op hogere leeftijd op drie tot vijf miljoen per jaar (exclusief de kosten van mogelijke complicaties).
Meer informatie: zie beleidsstukken

Aanpak kindermishandeling

Aandacht voor kindermishandeling begint in het overheidsbeleid al voor de geboorte. Het actieplan 'Kinderen Veilig Thuis' van het ministerie voor Jeugd en Gezin (Regeringsperiode Balkendende IV) ging niet specifiek in op de bestrijding van kindermishandeling rond de geboorte. Wel werd beschreven bij universele preventie van kindermishandeling dat er er kort vóór of kort na de geboorte van het kind groepsbijeenkomsten voor alle ouders zouden moeten zijn waarin zij voorlichting krijgen over opvoeden en de gezamenlijke ouderrollen.
Meer informatie: zie beleidsstukken en dossier kindermishandeling.

Zwangerschap- en bevallingsverlof

Zwangere vrouwen die werkneemster zijn, hebben recht op zwangerschapsverlof en bevallingsverlof. Zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden recht op zwangerschapsverlof. Ook vrouwen die werkloos zijn en een WW-uitkering, ziektewetuitkering of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, hebben recht op zwangerschapsverlof en bevallingsverlof. Vanaf zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum kunnen vrouwen het zwangerschapsverlof opnemen. Na de bevalling hebben ze recht op tien weken bevallingsverlof.
Op de website van de rijksoverheid vindt u meer informatie over zwangerschaps- en bevallingsverlof en de Zelfstandig en Zwangerregeling. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verstrekt ook informatie over de andere verlofregelingen voor ouders via de site Rijksoverheid.
Wat het verlof van moeders van couveusekinderen betreft, maakte minister Kamp (Sociale Zaken) begin 2011 bekend dat hij van plan is het verlof van deze moeders, zodra het het kind thuis is, te verlengen tot 10 weken.

Bronnen


Provinciaal beleid

De provincies voeren geen specifiek beleid rond het krijgen van kinderen. Provincies zijn wel verantwoordelijk voor het jeugdzorgbeleid, het beleid voor de geïndiceerde jeugdhulpverlening. Het provinciale beleid geldt dus wanneer er sprake is van problemen bij ouders en kinderen, ook in de eerste levensfase van het kind. 
Voor meer informatie zie: dossier jeugdzorg.

In de praktijk overleggen provincies met gemeenten over de aansluiting tussen het provinciale jeugdzorgbeleid en het lokale jeugdbeleid.


Gemeentelijk beleid

Gemeenten hebben de regie over de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin en het geven van prenatale voorlichting is een gemeentelijke taak. Gemeenten gaan ook over het jeugdgezondheidszorgbeleid, de aansluiting tussen het lokale jeugdbeleid en het provinciale jeugdzorgbeleid, en over onderdelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het Rotterdamse beleid gericht op het voorkomen van kindersterfte is een voorbeeld van gemeentelijk beleid rond de kindersterfte en geboorte.

Centra voor Jeugd en Gezin

Door de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) valt de overheidsaandacht voor het krijgen van kinderen en voor zwangerschap en bevalling, en de steun bij het opgroeien en opvoeden van het pasgeboren kind onder het beleidsterrein van de gemeenten. Gemeenten krijgen bij het vormgeven van de centra grote vrijheid zolang die maar dezelfde basistaken vervullen. Voor meer informatie over Centrum voor Jeugd en Gezin zie: dossier CJG.

Prenatale voorlichting

Prenatale voorlichting werkt preventief omdat aanstaande ouders daardoor goed geïnformeerd worden over de zwangerschap, de bevalling en de periode daarna. In de praktijk is gebleken dat prenatale voorlichting een prima instrument is voor de JGZ om risicogezinnen tijdig in beeld te krijgen. Omdat de Centra voor Jeugd Gezin als doelgroep kinderen van – 9 maanden tot 23 jaar en hun ouders hebben, hoort prenatale voorlichting bij hun taken. Daarom zijn de AWBZ-middelen voor prenatale voorlichting per 1 januari 2009 overgeheveld naar de Brede Doeluitkering CJG. Daardoor is de prenatale voorlichting tegenwoordig een gemeentelijke taak. Maar gemeenten zijn niet wettelijk verplicht een bepaald aanbod voor prenatale voorlichting te verzorgen.
In meerdere gemeenten ontvangen ouders van een pasgeboren kind van de gemeente informatiemateriaal over opvoeden en opgroeien, en soms ook een presentje. Soms gebeurt dit bij de aangifte van het kind op het gemeentehuis.
Bij de beleidstukken staat de handreiking 'Prenatale voorlichting, een nieuwe activiteit in opdracht van de gemeente'.

Doelen Jeugdgezondheidszorgbeleid

In het beleid voor de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) staan doelen op het gebied van de gezondheid en de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van jeugdigen van 0 tot 19 jaar. Dit beleid valt onder de Wet publieke gezondheid (Wet pg) die op 1 december 2008 van kracht is geworden. Doelen van de Jeugdgezondheidszorg op individueel niveau en populatieniveau zijn:

Basistaken Jeugdgezondheidszorg

Het aanbod van de JGZ is wettelijk vastgelegd in het 'Basistakenpakket JGZ 0-19 jaar'. De JGZ voert bij alle kinderen preventieve screeningen uit, zowel lichamelijk als cognitief en psychosociaal. De JGZ vervult daarmee een belangrijke rol in vroegsignalering van risico’s, korte interventies en doorverwijzing naar zwaardere of andere vormen hulpverlening. Verder voert de JGZ het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) uit. Ook de neonatale screening bij pasgeborenen via de hielprik is een verantwoordelijkheid van de JGZ. Naast deze activiteiten die alle kinderen in Nederland krijgen aangeboden, bieden gemeenten ook maatwerk. Minister Rouvoet heeft, tijdens de regeringsperiode Balkende 4, november 2009 de Tweede Kamer geïnformeerd over de inhoud en uitvoering van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Zie beleidstukken.

Wet maatschappelijke ondersteuning

Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht geworden. Volgens deze wet valt onder maatschappelijke ondersteuning ook 'op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden'. Dit valt onder Prestatieveld 2 van de Wmo. De gemeenten hebben de taak voor het preventief jeugdbeleid, ook in de eerste levensfase, de volgende functies uit te voeren:

Bronnen


Internationaal beleid

Europese Commissie

Volgens een mededeling van de Europese Commissie (2006) kunnen de lidstaten van de Europese Unie er met het oog op de vergrijzing aan bijdragen dat meer Europeanen hun kinderwens vervullen. Hiervoor moeten de lidstaten de voorwaarden voor het gezinsleven verbeteren, vooral door er voor te zorgen dat werk en privéleven beter te combineren zijn. In 2007 heeft de Europese Commissie vastgesteld dat nationaal gezinsbeleid de solidariteit tussen de generaties kan versterken door beter in te spelen op de behoefte van gezinnen wat betreft kinderopvang en ouderenzorg, en door een betere verdeling van gezinstaken en huishoudelijke taken. Zulk beleid leidt tot een betere levenskwaliteit voor iedereen en tot betere voorwaarden om een gezin te stichten. Ook zal het bijdragen aan economische groei en werkgelegenheid, met name doordat meer vrouwen gaan werken (Europese Commissie 2007).

Raad van Europa

De gezinsministers van de Raad van Europa willen gezinsvriendelijke landen en kinderrechten bevorderen. Dit staat in hun slotverklaring van een bijeenkomst in juni 2009 over ‘Public Policies Supporting the Wish to Have Children’. Hierin beloven ze onder meer een betere combinatie van werk en gezinsleven mogelijk te maken. Ook steunen zij beleid dat gericht is op het stimuleren van een eerlijke verdeling van gezinstaken tussen mannen en vrouwen.

Verlofregelingen voor werkende ouders

De Nederlandse verlofwetgeving voor ouders is gedeeltelijk gebaseerd op Europese richtlijnen. Ook zijn er richtlijnen vastgelegd in verschillende verdragen van de Verenigde Naties (VN), zoals het VN-vrouwenverdrag en het Kinderrechtenverdrag. In het dossier werkende ouders vindt u meer informatie over verlofregelingen die gebaseerd zijn op internationale wet- en regelgeving.

Meer informatie

De voorstellen voor zwangerschap- en vaderschapsverlof
De duur van het zwangerschaps- en vaderschapsverlof in de landen van de Raad van Europa pdf.
De bijeenkomst van de Raad van Europa

Bronnen


Beleidsstukken

Hier vindt u een selectie van relevante beleidsstukken, analyses of adviezen. De korte omschrijvingen zijn ontleend aan de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut.


Onderzoek

Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.

(Door)lopend onderzoek

Afgesloten onderzoek


Literatuur

Hier vindt u een selectie van relevante literatuur uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u zelf kunt zoeken naar literatuur.


Agenda

Leve het jonge kind!

28 mei 2013
Organisator: Logacom
Plaats: Utrecht
Kosten: 259 euro (ex. BTW)
Website: www.hetjongekind.nl

Het tweede jaarcongres over het jonge kind is vooral gericht op het uitwisselen van kennis en de nieuwste inzichten over het jonge kind. Diverse thema's, methoden, visies en projecten komen aan de orde. Naast een aanbod voor leerkrachten van de onderbouw van de basisschool en docenten van ROC's en Pabo's, zijn er ook deelsessies gericht op pedagogisch medewerkers en leidsters van kinderopvangcentra.

Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.


Links