
Hilde Kalthoff is pedagoge en heeft jarenlang gewerkt met kinderen die met armoede te maken hadden.
Stel een vraag
|
|
Veel arme kinderen zijn uitgesloten van vrijetijdsvoorzieningen die geld kosten. Armoede kan dus leiden tot sociaal isolement. Dit terwijl meedoen in de samenleving algemeen als een eerste levensbehoefte wordt beschouwd.
Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau zitten een half miljoen kinderen tussen vijf en achttien jaar niet op sport, muziek of scouting (Jehoel-Gijsbers 2009). Het percentage arme kinderen dat nergens aan meedoet, is twee keer zo hoog als dat van niet-arme kinderen. Dit geldt vooral voor kinderen in gezinnen met een bijstandsuitkering.
Arme kinderen brengen meer tijd door met buiten spelen of op straat rondhangen, gaan minder op vakantie en maken minder uitstapjes. Arme kinderen nemen wel ongeveer in gelijke mate deel aan speciale activiteiten op de buitenschoolse opvang en aan buitenschoolse activiteiten, zoals schoolreisjes en werkweken. Voor niet-westerse migrantenkinderen speelt de moskee een relatief belangrijke rol in hun vrijetijdsbesteding.
Sport is voor kinderen verreweg de belangrijkste activiteit in de vrije tijd. Niet alleen is de deelname hieraan het hoogst, de wens tot deelname van kinderen die niet op sport zitten is met 90 procent ook veel groter dan bijvoorbeeld bij culturele activiteiten. Tegelijkertijd spelen financiële belemmeringen bij sport een grote rol in de niet-deelname, vooral bij bijstandskinderen. De school is een belangrijk kanaal om alle kinderen met georganiseerde vrijetijdsbesteding te bereiken (Jehoel-Gijsbers 2009).
In een vervolg op bovengenoemde studie, waar het vooral ging om deelname aan sport, cultuur en verenigingsleven, keek het Sociaal en Cultureel Planbureau ook naar andere vormen van sociale uitsluiting (Roest e.a. 2010). Tevens werd nagegaan hoe sociale uitsluiting kan worden verklaard.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau onderscheidt vier vormen van sociale uitsluiting:
Een index meet de mate van sociale uitsluiting: 'niet of nauwelijks uitgesloten', 'enigszins uitgesloten', 'tamelijk uitgesloten' en 'zeer uitgesloten' bij kinderen van 5 tot en met 17 jaar. Bij sociaal uitgesloten, in strikte zin, gaat het om het totaal van 'tamelijk uitgesloten' en 'zeer uitgesloten'. Bij een ruime definitie van sociaal uitgesloten wordt de groep 'enigszins uitgesloten' kinderen ook meegeteld.
| Strikte definitie | Ruime definitie | |
|---|---|---|
| Onvoldoende sociale participatie | 100.000 | 430.000 |
| Geldgebrek | 125.000 | 185.000 |
| Onvoldoende toegang grondrechten | 130.000 | 875.000 |
| Onvoldoende normatieve integratie | 100.000 | 475.000 |
Ruim 60.000 kinderen zijn op verschillende aspecten sociaal uitgesloten. Dit is 3 procent van het totale aantal kinderen in die leeftijdsgroep. Volgens de ruime definitie zijn dit bijna 275.000 kinderen (ofwel 11 procent). Bijstandskinderen zijn het meest vaak sociaal uitgesloten, vooral geldgebrek komt bij hen relatief vaak voor. Maar ook kinderen in huishoudens met een inkomen onder 120 procent van het sociaal minimum zijn vaker sociaal uitgesloten dan kinderen in niet-arme gezinnen. Alleen als het gaat om normatieve integratie zijn er weinig verschillen tussen arme en niet-arme kinderen.
Onvoldoende sociale participatie houdt het meest verband met een laag opleidingsniveau van ouders, met geldgebrek bij ouders, met een niet-westerse herkomst en met weinig sociale participatie van ouders (Roest e.a. 2010). Geldgebrek bij kinderen en onvoldoende toegang tot sociale grondrechten worden het beste verklaard door geldgebrek bij ouders, door met name armoede, het niet hebben van betaald werk en/of het hebben van schulden. Onvoldoende normatieve integratie wordt eerdere verklaard door sekse en leeftijd dan door andere factoren: het gaat vooral om jongens en oudere kinderen.
De kans op sociale uitsluiting is groter wanneer: een kind in een arm gezin leeft, van niet-westerse afkomst is, deel uitmaakt van een eenoudergezin, ouders heeft met een laag opleidingsniveau, zonder betaalde baan, weinig geld en/of met een geringe mate van sociale participatie.
Het kabinet Balkenende IV (2007-2010) wilde naar aanleiding van het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (Jehoel-Gijsbers 2009) het aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert in vrijetijdsactiviteiten, halveren. Vanaf 2010 kregen gemeenten hiervoor geen extra financiële middelen meer. Een aantal gemeenten heeft dit beleid met eigen financiële middelen voortgezet.
Meting door Roest (2011) in 2010 liet zien dat kinderen in dat jaar iets vaker (3 procent) deelnamen aan vrijetijdsactiviteiten dan in 2008. Bij arme kinderen werd de groep die niet ‘maatschappelijk meedoet’ 6 procent kleiner. Onder de bijstandskinderen in deze groep was de afname nog duidelijker (9 procent). Bijstandskinderen hebben hun achterstand op de andere inkomensgroepen dus iets ingelopen, maar er was nog steeds een groot verschil. In 2010 deed 44 procent van de bijstandskinderen niet mee aan de genoemde activiteiten, ruim twee maal zoveel als in de niet-arme groep (19 procent).
Volgens het SCP moet het beleid meer aandacht besteden aan kinderen die minstens twee jaar onder de armoedegrens zitten en al op de basisschoolleeftijd beginnen. Verder is meer aandacht nodig voor kinderen uit de groeiende groep ‘werkende armen’. Belangrijk is tevens om het beleid niet te beperken tot het wegnemen van financiële belemmeringen, maar ook de maatschappelijke participatie van ouders te vergroten.